Er wordt niet zo heel vaak jurisprudentie gewezen op de redelijkheid van een kostenverhaalsbeschikking (ex artikel 5:25 Awb). Op 25 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2026:1740 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak over een kostenverhaalsbeschikking (inhoudende een bedrag van € 28.497,60). De last onder bestuursdwang zag op het beëindigen van het strijdige gebruik en het verwijderen van de woonruimte, de zeecontainer en de opgeslagen bedrijfsmaterialen.

De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat het college de in de kostenverhaalsbeschikking opgenomen posten niet in deze omvang bij [appellant] in rekening heeft kunnen brengen. De enkele stelling van [appellant] dat de kosten voor het ontruimen van het perceel te hoog waren omdat niet bij verschillende bedrijven om een offerte is gevraagd, is, mede in het licht van wat het college daarover heeft toegelicht, onvoldoende. [appellant] heeft het aantal ambtelijke uren en het gehanteerde tarief als zodanig niet bestreden (in de kostenverhaalsbeschikking zijn 102 ambtelijke uren tegen een tarief van € 51,84 opgenomen). De enkele stelling dat de kosten volgens [appellant] erg hoog zijn, vormt gelet op de omvang van de operatie geen grond om het kostenverhaal onrechtmatig te achten. Ook is het college gelet op artikel 5:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht terecht overgegaan tot het opslaan van de meegevoerde materialen die in het kader van de bestuursdwang van het terrein zijn verwijderd waardoor daarvoor ook kosten zijn gemaakt die het college op [appellant] mocht verhalen.
[appellant] stelt dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de impact van het bestreden besluit op zijn leven. Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat de uitoefening van bestuursdwang in de regel gepaard gaat met verhaal van de kosten daarvan. De stelling dat het kostenverhaal ingrijpend is en dat de kosten in de moeilijke situatie van [appellant] moeten drukken op de algemene middelen, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het college niet tot kostenverhaal had mogen overgaan. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de schuld van [appellant] met een betalingsregeling wordt geïncasseerd. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:437 heeft overwogen, hoeft het bestuursorgaan bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk meestal pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie om hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding, als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daarvoor zulke informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben. Nu [appellant] zijn betoog over zijn financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd, is deze uitzondering hier niet aan de orde.
Bij besluit van 28 juni 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd om de overtredingen op de percelen naast [locatie] in Hazerswoude-Dorp te beëindigen en beëindigd te houden. appellant] is eigenaar van percelen naast het adres [locatie], Hazerswoude-Dorp. Hij woont daar in een tot woning verbouwde boogkas. Op de percelen staat ook een zeecontainer en zijn bedrijfsmaterialen voor een stratenmakersbedrijf opgeslagen. Omdat er geen omgevingsvergunning voor het verbouwen van de boogkas is verleend en het gebruik van de percelen plaatsvindt in strijd met de beheersverordening "Buitengebied Rijnwoude 2015" heeft het college bij besluit van 28 juni 2022 een last onder bestuursdwang opgelegd tot het beëindigen van het strijdige gebruik en het verwijderen van de woonruimte, de zeecontainer en de opgeslagen bedrijfsmaterialen. Daarbij heeft het college bepaald dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op [appellant] zullen worden verhaald.
Bij besluit van 4 juli 2025 heeft het college de kosten voor toepassing van bestuursdwang gesteld op € 28.497,60 en deze kosten bij [appellant] in rekening gebracht.
De kostenverhaalsbeschikking
Op 20 en 21 maart 2025 is het college tot toepassing van bestuursdwang overgegaan omdat [appellant] geen gehoor heeft gegeven aan de last. Vervolgens heeft het college op 4 juli 2025 aan [appellant] een kostenverhaalsbeschikking gestuurd waarmee het de kosten van bestuursdwang bij [appellant] in rekening brengt. Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang mede betrekking op een beschikking die strekt tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. [appellant] heeft aangegeven zich niet met de kostenverhaalsbeschikking te kunnen verenigen.
[appellant] betoogt dat hij nagenoeg alles al is kwijtgeraakt als gevolg van de besluitvorming van het college. Hij stelt dat het college met dit besluit onvoldoende oog heeft gehad voor de impact van het bestreden besluit op zijn leven en daarmee voor de menselijke maat. Verder stelt hij dat het college voor de toepassing van bestuursdwang niet zorgvuldig heeft gehandeld door niet meerdere offertes te vragen voor de uitvoering van de werkzaamheden die de toepassing van de bestuursdwang behelst. Ook stelt hij dat het niet nodig was om de hele huisraad op te slaan, want die had gewoon aan hem kunnen worden teruggegeven. En het college had het sloopmateriaal ook op het perceel kunnen opslaan. Ten slotte stelt [appellant] dat de personeelskosten die in de kostenverhaalsbeschikking zijn opgenomen erg hoog zijn en gematigd hadden moeten worden.
Het college stelt dat het verschillende bedrijven heeft gevraagd om op basis van een luchtfoto en een filmpje een offerte uit te brengen voor het ontruimen van het perceel. De bedrijven die het daarvoor heeft benaderd, gaven aan zo niet te kunnen offreren omdat de opbouw van de constructie van de boogkas onduidelijk was en niet bekend was wat de aard van de materialen (mogelijk ook asbest) was die zouden moeten worden verwijderd. Het college heeft er daarop voor gekozen om het dichtstbijzijnde bedrijf de opdracht te geven, maar dat bedrijf trok zich twee weken voor de datum van de tenuitvoerlegging terug waardoor het college op het laatste moment een ander bedrijf moest zoeken. In verband met mogelijke discussies die zouden kunnen ontstaan over de wijze waarop de bestuursdwang is toegepast, heeft het college de feitelijke werkzaamheden uitvoerig in een proces-verbaal gedocumenteerd. In de kostenverhaalsbeschikking zijn 102 ambtelijke uren tegen een tarief van € 51,84 opgenomen. Het college heeft [appellant] na de toepassing van bestuursdwang ter voorkoming van het verder oplopen van de kosten gevraagd afstand te doen van de goederen. Omdat [appellant] daarop niet heeft gereageerd, achtte het college zich gehouden om alle goederen veilig te stellen.
De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat het college de in de kostenverhaalsbeschikking opgenomen posten niet in deze omvang bij [appellant] in rekening heeft kunnen brengen. De enkele stelling van [appellant] dat de kosten voor het ontruimen van het perceel te hoog waren omdat niet bij verschillende bedrijven om een offerte is gevraagd, is, mede in het licht van wat het college daarover heeft toegelicht, onvoldoende. [appellant] heeft het aantal ambtelijke uren en het gehanteerde tarief als zodanig niet bestreden. De enkele stelling dat de kosten volgens [appellant] erg hoog zijn, vormt gelet op de omvang van de operatie geen grond om het kostenverhaal onrechtmatig te achten. Ook is het college gelet op artikel 5:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht terecht overgegaan tot het opslaan van de meegevoerde materialen die in het kader van de bestuursdwang van het terrein zijn verwijderd waardoor daarvoor ook kosten zijn gemaakt die het college op [appellant] mocht verhalen.
Het betoog slaagt niet.
[appellant] stelt dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de impact van het bestreden besluit op zijn leven. Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat de uitoefening van bestuursdwang in de regel gepaard gaat met verhaal van de kosten daarvan. De stelling dat het kostenverhaal ingrijpend is en dat de kosten in de moeilijke situatie van [appellant] moeten drukken op de algemene middelen, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het college niet tot kostenverhaal had mogen overgaan. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de schuld van [appellant] met een betalingsregeling wordt geïncasseerd. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:437 heeft overwogen, hoeft het bestuursorgaan bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk meestal pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie om hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding, als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daarvoor zulke informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben. Nu [appellant] zijn betoog over zijn financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd, is deze uitzondering hier niet aan de orde.