GS hebben een omgevingsvergunning verleend voor het beschadigen en vernielen van essentieel foerageergebied van de das. De vergunning is nodig om woningbouw mogelijk te maken. Met de Omgevingswet is de flora- en fauna-activiteit geïntroduceerd. Dat is iedere activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. O.g.v. art. 5.1, lid 2, onder g Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten te verrichten die in het Bal zijn aangewezen.

Uit art. 11.54, lid 1, onder a en b Bal volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de das opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (art. 11.54 Bal) wordt alleen verleend als er geen andere bevredigende oplossing is, de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en als de activiteit noodzakelijk is in het licht van bepaalde doelen.
Dit volgt uit art. 8.74l, lid 1 (Bkl). In art. 8.74l, lid 1 onder b, van het Bkl is een limitatieve opsomming gegeven van de doelen die kunnen dienen als noodzaak voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
GS hebben aan de vergunning ten grondslag gelegd dat deze nodig is in het kader v.d. ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (art. 8.74l, lid 1, onder b, onder 6° Bkl). Gemeenten zijn bevoegd om via het omgevingsplan functies aan locaties toe te kennen en voor woningbouw in het bijzonder te bepalen waar bepaalde typen woningen binnen een gemeente moeten worden gerealiseerd. De bestemming van het perceel is gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘wonen met tuin’. Bovendien valt de geplande bebouwing volledig binnen de ‘rode contour’.
De rb. oordeelt dat GS onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De enkele verwijzing naar het omgevingsplan en de bevoegdheid van gemeenten om functies aan locaties toe te kennen, is daarvoor onvoldoende. Als GS de omgevingsvergunning willen verlenen, omdat dit nodig is voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden dan moeten zij daarvoor onderbouwen waarom de ontwikkeling in deze zaak juist op de desbetreffende locatie noodzakelijk is. Daarbij kunnen overwegingen uit het bestemmingsplan over deze locatie een rol spelen, maar het is aan GS om daar in het kader van de verleende omgevingsvergunning een eigen, voor deze zaak geldende afweging over te maken.