De voorzieningenrechter overweegt over de vaststelling door het college dat sprake is van overtredingen. Allereerst constateert de voorzieningenrechter dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster zonder sloopmelding sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor zij een sloopmelding had moeten doen. Voor het handhavend optreden is beslissend geweest dat op dat moment een geheel nieuwe stalen constructie werd opgetrokken en dat constructieve bouwwerkzaamheden werden uitgevoerd op het perceel.

Over de plaatsing van de nieuwe stalen constructie overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verzoekster heeft in het verzoekschrift betoogd dat deze werkzaamheden reeds vergund zijn. Op de plek waar de stalen constructie staat, stond immers eerst een gebouw, dat in verval was geraakt en daarom gesloopt is.
De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de vergunningplicht voor een bouwactiviteit als bedoeld in art. 5.1, lid 2, onder a Omgevingswet dat een omgevingsvergunning voor een geheel gesloopt gebouw niet kan strekken tot het volledig mogen vervangen van dit gebouw. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster het bouwen van de stalen constructie zonder vergunning als bedoeld in art. 5.1, lid 2, onder a Ow heeft uitgevoerd. Er is daarom door het plaatsen van de nieuwe stalen constructie sprake van een overtreding van voornoemd artikel.
Over de door het college geconstateerde overtreding door de constructieve bouwwerkzaamheden overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster in strijd met art. 5.1, lid 2, onder a Ow handelt, omdat de uitgevoerde bouwwerkzaamheden met betrekking tot het veranderen van de draagconstructie gelet op art. 2.27, lid 1, onder b Bbl vergunningplichtig zijn en hiervoor geen vergunning is verleend. Ook op dit punt is dus sprake van een overtreding.