De rechtbank Midden-Nederland heeft op 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1178 een voor de praktijk vermeldenswaardige uitspraak gedaan over het toetsingskader bij de OPA Bouw (ex art. 5.1, lid 1, onder a jo. art. 22.26 jo. 22.29 van het omgevingsplan).

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college het bouwplan waarvoor vergunninghouders met hun aanvraag van 25 juli 2025 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd, heeft beoordeeld als niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In dat geval moet het college de omgevingsvergunning verlenen (artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Als het bouwplan niet in strijd is met de regels uit het omgevingsplan heeft het college geen beleidsruimte voor het maken van een belangenafweging. De gronden van verzoekers geven de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het college het bouwplan zoals dat door vergunninghouders is aangevraagd ten onrechte in overeenstemming heeft geacht met de regels van het omgevingsplan. De gronden van verzoekers over bijvoorbeeld de onevenredigheid van de aanbouw ten opzichte van de perceelgrootte, de verdichting van het perceel, de aantasting van privacy, de vermindering van daglichttoetreding en bezonning en de toename van geluidsoverlast zien op een door het college te maken belangenafweging. Als het college geen beleidsruimte heeft om een belangenafweging te maken, dan hebben deze gronden dus geen kans van slagen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat door het realiseren van de aanbouw de parkeernorm voor de woning niet wijzigt. De toepasselijke parkeernorm is niet afhankelijk van de omvang (het bruto vloeroppervlak) van een woning. Dus ook de grond van verzoekers over het niet voldoen aan de parkeerverplichting op eigen terrein heeft geen kans van slagen.
Als vergunninghouders inderdaad in afwijking van de aan hen verleende omgevingsvergunning hebben gebouwd, dan maakt dat niet dat de omgevingsvergunning onrechtmatig is verleend en in bezwaar zal moeten worden herroepen. Dat is dan een kwestie van handhaving met de daarbij behorende procedure.
Op de zitting hebben eisers ook gewezen op de aanwezigheid van een veranda/overkapping in de tuin van vergunninghouders. Ook dit brengt de voorzieningenrechter niet tot het voorlopige oordeel dat dit aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Op grond van artikel 22.36 biedt het omgevingsplan, aanvullend op de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan ‘Naardereiland’ biedt, nog vergunningsvrije bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. Gelet op de omvang van het bebouwingsgebied bij de woning van vergunninghouders is het niet aannemelijk dat deze vergunningsvrije bouwmogelijkheden volledig zijn opgebruikt met de vergunde uitbreiding van de woning.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college het bouwplan waarvoor vergunninghouders met hun aanvraag van 25 juli 2025 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd, heeft beoordeeld als niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In dat geval moet het college de omgevingsvergunning verlenen (artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Als het bouwplan niet in strijd is met de regels uit het omgevingsplan heeft het college geen beleidsruimte voor het maken van een belangenafweging.
De gronden van verzoekers geven de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het college het bouwplan zoals dat door vergunninghouders is aangevraagd ten onrechte in overeenstemming heeft geacht met de regels van het omgevingsplan en het bestemmingsplan ‘Naardereiland’ dat daarvan deel uitmaakt. De gronden van verzoekers over bijvoorbeeld de onevenredigheid van de aanbouw ten opzichte van de perceelgrootte, de verdichting van het perceel, de aantasting van privacy, de vermindering van daglichttoetreding en bezonning en de toename van geluidsoverlast zien op een door het college te maken belangenafweging. Als het college geen beleidsruimte heeft om een belangenafweging te maken, dan hebben deze gronden dus geen kans van slagen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat door het realiseren van de aanbouw de parkeernorm voor de woning niet wijzigt. De toepasselijke parkeernorm is niet afhankelijk van de omvang (het bruto vloeroppervlak) van een woning. Dus ook de grond van verzoekers over het niet voldoen aan de parkeerverplichting op eigen terrein heeft geen kans van slagen.
Op de zitting hebben verzoekers aangevoerd dat de aanbouw zoals die op dit moment door vergunninghouders wordt gerealiseerd groter is dan de oppervlakte die door het college is vergund en op grond van het omgevingsplan is toegestaan en dat het rieten dak op een afstand van minder dan de toegestane afstand van 1 meter van de erfgrens is gerealiseerd. Het is niet aan de voorzieningenrechter om daarover in deze procedure over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning een oordeel te geven. Als vergunninghouders inderdaad in afwijking van de aan hen verleende omgevingsvergunning hebben gebouwd, dan maakt dat niet dat de omgevingsvergunning onrechtmatig is verleend en in bezwaar zal moeten worden herroepen. Dat is dan een kwestie van handhaving met de daarbij behorende procedure.
Op de zitting hebben eisers ook gewezen op de aanwezigheid van een veranda/overkapping in de tuin van vergunninghouders. Ook dit brengt de voorzieningenrechter niet tot het voorlopige oordeel dat dit aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Op grond van artikel 22.36 biedt het omgevingsplan, aanvullend op de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan ‘Naardereiland’ biedt, nog vergunningsvrije bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. Gelet op de omvang van het bebouwingsgebied bij de woning van vergunninghouders is het niet aannemelijk dat deze vergunningsvrije bouwmogelijkheden volledig zijn opgebruikt met de vergunde uitbreiding van de woning.