Het bedrijfsgebouw wordt 15 meter hoog. Het bouwplan voldoet niet aan de maximale bouwhoogte uit de beheersverordening.

In een geval als dit – waarin de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het omgevingsplan staat als gevolg v.h. tijdelijk deel van het omgevingsplan – geldt o.g.v. artikel 22.281 van het omgevingsplan dat het college ook moet beoordelen of sprake is van ETFAL. Dat betekent dat niet alleen wordt beoordeeld of onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, maar ook dat een belangenafweging moet worden gemaakt waarbij wordt beoordeeld of het verlenen v.d. omgevingsvergunning o.g.v. de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in overeenstemming is met ETFAL.
ETFAL is in het Bkl niet nader omschreven. Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om in te vullen wat een evenwichtige toedeling is. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wro en de Wabo. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of sprake is van ETFAL. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
De vzr. stelt voorop dat bij die afweging uitsluitend die belangen kunnen worden betrokken die worden geraakt door de onderdelen van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van de beheersverordening. Van de bouwmogelijkheden die in de beheersverordening zijn opgenomen zijn de ruimtelijke gevolgen door de gemeenteraad afgewogen bij de vaststelling van de beheersverordening.
Dat er op het perceel, tegenover en op relatief korte afstand van de woningen van verzoekers, een bedrijfsgebouw mag worden opgericht met een bouwhoogte van 10 meter, staat de beheersverordening rechtstreeks toe. Dat bedrijfsgebouw mag op grond van de beheersverordening ook bedrijfsmatig worden gebruikt, en dat betekent dat verzoekers op grond van de mogelijkheden van de beheersverordening ook geconfronteerd kunnen worden met de daarbij komende hinder (bijvoorbeeld licht- en geluidhinder, verkeersbewegingen en verminderd uitzicht).
Aan de vzr. ligt ter beoordeling voor of de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte met 5 meter voor verzoekers tot onevenredige nadelige gevolgen leidt, zodanig dat het college doorslaggevend gewicht aan hun belangen moet toekennen. Het gaat dan naar het oordeel van de vzr. vooral om de verdergaande belemmering van uitzicht en de reflectiewerking van geluid die uitgaat van de hogere bouwhoogte ten opzichte van de toegestane bouwhoogte van 10 meter.