In haar uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2061) oordeelt de Afdeling dat de stichting geen feitelijke werkzaamheden verricht ter verwezenlijking van de algemene belangen die zij blijkens haar statuten beoogt te beschermen, zodat het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb in de weg staat aan vernietiging van de bestreden besluiten op grond van hetgeen de stichting daartegen in beroep heeft aangevoerd. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de ontgrondingen-, omgevings-, en watervergunning die Gedeputeerde Staten (GS), het college respectievelijk het waterschap hadden verleend voor een ontgrondingsproject.

Daartegen in beroep kwam onder meer de stichting die zich blijkens haar statutaire doelstellingen richt op het behartigen van algemene, ideële belangen, namelijk de bescherming en verbetering van de natuur, het landschap en het milieu binnen de regio. De Afdeling ziet zich vanwege het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb voor de vraag gesteld of de beroepsgronden die de stichting aanvoert strekken tot bescherming van de belangen waarvoor de belangenorganisatie in rechte opkomt. De Afdeling stelt voorop dat de beroepsgronden van de stichting geen betrekking hebben op het recht op inspraak. Dat is relevant, omdat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606). De Afdeling overweegt dat in een geval als hier, waarin een belangenorganisatie die volgens haar statuten één of meer algemene belangen behartigt, ontvankelijk is omdat zij een zienswijze naar voren heeft gebracht, naast de statutaire doelstellingen mede van belang wordt geacht of zo’n belangenorganisatie enige feitelijke werkzaamheden heeft verricht die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1139). Een belangenorganisatie kan namelijk niet opkomen voor de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt, indien zij in het geheel geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht. Volgens vaste Afdelingsrechtspraak moet bij die beoordeling worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de belangenorganisatie heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld (vgl. de uitspraak van 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2116). Daarbij geldt dat aan de werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van beroep het meeste gewicht toekomt, maar dat ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden van belang kunnen zijn (vgl. de Afdelingsuitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3431). Verder geldt dat het enkel voeren van juridische procedures tegen besluiten niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van art. 1:2, derde lid, Awb. Ook werkzaamheden die verband houden met het voeren van juridische procedures, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures, zijn geen feitelijke werkzaamheden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835, 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:373, en 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:808). De Afdeling stelt vast dat de werkzaamheden van de stichting sinds 2015 tot aan het instellen van beroep vrijwel geheel bestaan uit het voeren van juridische procedures en het verrichten van voorbereidende werkzaamheden in verband met deze juridische procedures. De Afdeling overweegt ook dat er geen sprake is van een bundeling van rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken individuele belangen, waarin de feitelijke werkzaamheden al zijn gelegen. Dat de algemene belangen die de stichting stelt te behartigen mede ten goede komen aan het woon- en leefklimaat van bewoners en gebruikers van het gebied, maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders. De Afdeling komt tot de slotsom dat de stichting geen relevante feitelijke werkzaamheden heeft verricht en om die reden niet kan worden aangemerkt als een milieuorganisatie. Dit betekent volgens de Afdeling dat de stichting zich niet met succes kan beroepen op de algemene belangen zoals die in haar statuten staan vermeld. Omdat de in beroep ingeroepen rechtsregels niet strekken tot bescherming van de belangen waarop de Stichting zich kan beroepen, staat art. 8:69a Awb in de weg aan vernietiging van de besluiten op grond van hetgeen de stichting daartegen heeft aangevoerd, aldus de Afdeling.