Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Verduidelijking begrip ‘bouwwerk’ onder Wkb: casco schip is geen bouwwerk

Dat de aansprakelijkheid van aannemers na oplevering altijd al een hot topic is, maar toch zeker na inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het Bouwen (Wkb), volgt reeds uit mijn artikel dat in december 2025 verscheen. Het nieuwe lid 4 van artikel 7:758 BW is specifiek van toepassing op de aanneming van bouwwerken. Met de komst van lid 4 blijft de aannemer na oplevering van een bouwwerk aansprakelijk voor alle gebreken, tenzij deze niet aan hem zijn toe te rekenen. Maar wat valt nu onder het begrip: ‘bouwwerk’?

27 January 2026

Samenvatting

Samenvatting

Langere tijd bestond hierover onduidelijkheid, zo gaf de Wkb zelf namelijk geen definitie. Vooralsnog werd eerder voor een uitleg aangesloten bij het begrip ‘bouwwerk’ in de Omgevingswet. Echter, inmiddels is duidelijk dat die uitleg te beperkt is, nu het begrip ‘bouwwerk’ zoals bedoeld in de Omgevingswet niet alle werkzaamheden omvat die binnen de bouwsector worden verricht. Het begrip ‘bouwwerk’ als bedoeld in de Wkb moet dus ruimer en breder worden uitgelegd.

Dat echter soms nog wel letterlijk wordt teruggevallen op de beperkte uitleg van het begrip bouwwerk uit de Omgevingswet, volgt uit een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De bouw van een casco van een schip wordt hierin in ieder geval niet als bouwwerk aangemerkt door deze rechtbank.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 8 oktober 2025

Feiten

Opdrachtgever (Soliton Marine Holdings B.V.) heeft aan aannemer (Prior Projects B.V.) opdracht gegeven voor het bouwen c.q. lassen van een casco van een zeiljacht.

Tussen partijen is in dat kader op 24 februari 2022 een aannemingsovereenkomst gesloten.

De beoogde opleveringsdatum was 8 augustus 2022. Die datum werd niet gehaald en hiervoor is aannemer ook in gebreke gesteld door opdrachtgever. Het casco is vervolgens op 22 september 2022 op transport gegaan naar de conserveerder in Drimmelen. Aldaar heeft aannemer – ter correctie van de maatvoering – nog werkzaamheden verricht. In oktober en november 2022 is aannemer door opdrachtgever in gebreke gesteld in verband met het niet voldoen van de kiel. Wat betreft opdrachtgever was de boot dan ook nog niet opgeleverd.

Na uitvoering van schilderwerk is het casco – ten behoeve van de afbouw - op 3 februari 2023 naar opdrachtgever in Werkendam gebracht. Begin juni 2023 zou de boot te water worden gelaten, echter voorafgaand daarvan werd door opdrachtgever geconstateerd dat de diesel- en watertanks lekte. Opdrachtgever heeft een derde opdracht gegeven om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Op 26 juni 2023 werd vervolgens de boot te water gelaten, echter de boot bleek nog steeds op meerdere plaatsen te lekken.

In opdracht van opdrachtgever zijn een tweetal onderzoeken uitgevoerd. Hieruit volgde dat het door aannemer uitgevoerde laswerk van onacceptabele kwaliteit was.  Uit een van de rapporten volgde dat voor herstel van de schade een geheel nieuw casco zou moeten worden gebouwd, de schade werd begroot op EUR 1.200.000,-.

Nadat opdrachtgever aannemer in juli 2023 – tevergeefs - in gebreke heeft gesteld, is opdrachtgever een procedure gestart.  

 

Standpunten partijen

Opdrachtgever vordert dat aannemer wordt veroordeeld tot betaling van (o.a.) een schadevergoeding van EUR 1.599.500,-. Primair vordert zij deze schadevergoeding op grond van wanprestatie nu de boot nooit is opgeleverd, subsidiair op grond van wanprestatie omdat de boot gebreken bevat en meer subsidiair stelt opdrachtgever dat sprake is van een onrechtmatige daad nu aannemer niet als redelijk bekwaam vakman heeft gehandeld. Belangrijk is dat opdrachtgever waar het haar subsidiaire vordering betreft, een beroep deed op de nieuwe aansprakelijkheidsregeling voor bouwwerken in artikel 7:758 lid 4 BW (dit om het onderscheid tussen zichtbare/niet-zichtbare gebreken te omzeilen).

Aannemer stelt zich op het standpunt dat zij heeft uitgevoerd wat is overeengekomen, van wanprestatie is volgens haar dan ook geen sprake. Het casco moet als opgeleverd worden beschouwd en eventuele zichtbare gebreken komen alsdan vanaf moment van oplevering voor rekening van opdrachtgever. Voor zover er al wel sprake zou zijn van verborgen gebreken, dan geldt dat deze niet aan haar zijn toe te rekenen. In reconventie vordert aannemer betaling van de openstaande facturen met een bedrag van EUR 71.162,83.

 

Beoordeling rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het werk wel is opgeleverd. De boot is op transport gezet naar de conserveerder, en volgens de aannemingsovereenkomst was het “laden casco voor transport” de laatste contractuele prestatie. Volgens de rechtbank heeft aannemer met het transport kenbaar gemaakt dat het werk gereed was.

Het feit dat opdrachtgever vervolgens het casco (na herstel in november 2022) verder heeft afgebouwd zonder (nader) herstel te verlangen, duidt op aanvaarding. Het werk dient dan ook na afronding van de herstelwerkzaamheden in november 2022 als opgeleverd te worden beschouwd.

De rechtbank gaat vervolgens nader in op het standpunt van opdrachtgever dat het casco gebreken vertoont en aansprakelijk is op grond van artikel 7:758 lid 4 BW. De rechtbank gaat voorbij aan dit beroep. In die zin dat zij oordeelt dat deze bepaling niet van toepassing is op de bouw van een schip, nu dit geen aanneming van een ‘bouwwerk’ betreft.

Nu titel 7.12 van het BW zelf geen definitie van het begrip ‘bouwwerk’ bevat, sluit de rechtbank uiteindelijk aan bij de definitie van het begrip ‘bouwwerk’, zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen, namelijk:

constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart”.

De rechtbank leidt uit deze definitie uit de Omgevingswet af dat een schip niet onder het begrip ‘bouwwerk’ in de zin van artikel 7:758 lid 4 BW valt. Dit maakt dat deze nieuw aansprakelijkheidsregeling niet van toepassing is en gewoonweg de ‘oude’ regeling van artikel 7:758 lid 3 BW (met de daarin opgenomen oude risicoverdeling) van toepassing is: na oplevering is aannemer in beginsel niet aansprakelijkheid voor gebreken die bij oplevering ontdekt hadden moeten worden (zichtbare gebreken), maar hij kan wél aansprakelijk blijven voor verborgen gebreken die hem kunnen worden toegerekend.

In kwestie is dus het onderscheid tussen zichtbare en onzichtbare gebreken wel bepalend. Wat betreft de lekkende tank oordeelt de rechtbank dat dit lekken pas bij het vullen blijkt, de lekkage bij de romp kon pas bij tewaterlating worden ontdekt en het ondeugdelijke laswerk is naar haar aard sowieso niet visueel vast te stellen, hier is nader destructief onderzoek voor nodig. Tot slot, de omstandigheid dat lasnaden er slordig uitzien, betekent nog niet dat de opdrachtgever bij oplevering had moeten begrijpen dat het casco zou lekken of constructief tekortschiet.

Echter, hoewel de rechtbank de gebreken in grote lijnen als verborgen aanmerkt, acht zij de stellingen van opdrachtgever over de exacte locaties van de lekkages en welke essentiële systemen niet sterk genoeg zouden zijn, niet concreet genoegd. Ook de schade is onvoldoende uitgewerkt door opdrachtgever. De rechtbank komt dan ook enkel tot een tussenvonnis waarbij opdrachtgever de opdracht krijgt om bij nadere akte de gebreken en schade nader te specificeren en te onderbouwen.

 

Conclusie

Deze uitspraak illustreert dat op de vraag wanneer sprake is van een ‘bouwwerk’ en daarmee de vervolgvraag wanneer de nieuwe aansprakelijkheidsregeling van artikel 7:758 lid 4 BW van toepassing is, geen eenduidig antwoord kan worden gegeven. Waar in zijn algemeenheid wordt geoordeeld dat de definitie van ‘bouwwerk’ uit de Omgevingswet te beperkt is en een ruimere en bredere uitleg voorop zou moeten staan, haakt deze rechter uiteindelijk toch weer letterlijk aan bij de definitie uit de Omgevingswet. Is hiermee dan de ruimere en brede uitleg van het begrip ‘bouwwerk’ van de baan? Nee, dat lijkt mij niet. In deze specifiek situatie kon de rechter immers makkelijk aanhaken bij het begrip in de Omgevingswet nu aldaar specifiek over een dergelijk schip wordt gesproken.  

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, wenst u advies in een lopende kwestie of wilt u bijgestaan worden in een procedure, neem dan vrijblijvend contact op met onze specialisten op het gebied van het bouwrecht: Inge Franken, Rianne van Pelt en Tim Segers.

Auteur: 

Artikel delen