Zoals uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt, is voor het invorderen van een verbeurde dwangsom vereist dat uit een rapportage van bevindingen volgt dat de relevante feiten en omstandigheden voor de overtreding deugdelijk en controleerbaar zijn vastgesteld. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen.

De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd.
In dit geval (ECLI:NL:RVS:2026:2089) is het college van Deventer er niet (voldoende) in geslaagd aan te tonen dat sprake was onzelfstandige bewoning. Zo is de onderlinge verhouding tussen de aangetroffen personen, waaruit het onzelfstandige karakter van de bewoning zou blijken, niet deugdelijk gemotiveerd. Dat sprake zou zijn van een nicht, die haar slaapkamer of zelfs haar bed deelt met een van de kinderen, maakt namelijk niet dat die nicht geen deel uitmaakt van het huishouden of dat sprake is van onzelfstandige bewoning. Dat de nicht niet op het adres staat ingeschreven in de basisregistratie personen en dat betrokkenen onderling verschillend hebben verklaard over haar woonplaats, leidt bovendien niet zonder meer tot de conclusie dat geen intentie bestond om langdurig samen te wonen. Als het college meende dat dat anders was, had het daar nader onderzoek naar moeten (laten) verrichten. De uitspraak van de rechtbank Overijssel, waarbij de invordering onderuit ging, blijft in stand.