Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat over een verzoek om schadevergoeding na wolvenaanvallen op een schapenhouderij in 2021 en 2022. Gedeputeerde Staten van Drenthe kenden op grond van artikel 6.1 Wet natuurbescherming (oud) een vergoeding toe, met toepassing van de door BIJ12 vastgestelde taxatierichtlijnen.

In hoger beroep voerde de schapenhouder aan dat de verkeerde richtlijn was gebruikt en dat ook indirecte schade, zoals verminderde dracht en contractschade, vergoed had moeten worden.
De Afdeling erkent dat formeel de richtlijn 2019 van toepassing was, maar passeert dit gebrek met artikel 6:22 Awb omdat de richtlijnen inhoudelijk niet relevant verschillen en geen benadeling is ontstaan. Ook bevestigt zij dat de WUR-richtlijn geen zelfstandig toetsingskader vormt en dat GS de vergoeding per schaap voldoende zorgvuldig en inzichtelijk heeft vastgesteld.
Verder onderstreept de Afdeling dat alleen directe schade voor vergoeding in aanmerking komt; indirecte schade blijft in beginsel voor rekening van de schapenhouder.
NB: Onder de Omgevingswet bestaat eveneens een wettelijke grondslag voor de vergoeding van wolvenschade. Die is opgenomen in art. 15.53 Ow.
AbRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1037 (GS Drenthe).