Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Verjaring van de invorderingsbevoegdheid

Verjaring van de invorderingsbevoegdheid bij dwangsommen is vaker onderwerp van geschillen en complex, met name waar het gaat om de precieze start van een termijn. Een klein verschil tussen 'zes weken na de uitspraak' en 'zes weken na verzending van de uitspraak' kan doorslaggevend zijn voor de verjaring van de invorderingsbevoegdheid.

R. (Rosa) Hoondert 29 January 2026

Samenvatting

Samenvatting

Feiten
Het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand (hierna: het college) heeft appellant op 28 september 2017 een last onder dwangsom opgelegd om binnen 12 weken na verzending van dat besluit negen bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden. Tijdens controles in juli 2021 is geconstateerd dat er nog 1 bouwwerk staat. Het college heeft op 22 december 2021 besloten over te gaan tot invordering van de door appellant verbeurde dwangsommen. 

Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geoordeeld dat de bezwaren van appellant tegen de invordering niet slagen. Appellant stelde dat de invorderingsbevoegdheid was verjaard. In een uitspraak van 8 april 2019 heeft de rechtbank overwogen dat zes weken na verzending van de uitspraak de begunstigingstermijn eindigt. Appellant heeft op 21 mei 2019 gevraagd om verlenging van de begunstigingstermijn. Het college heeft dit verzoek op 13 juni 2019 ingewilligd. De voorzieningenrechter van de Afdeling deed uitspraak op 19 mei 2021 op het hoger beroep van appellant tegen de last onder dwangsom zelf. Binnen een jaar na de uitspraak is het college overgegaan tot het invorderen van de dwangsom. De termijn is volgens de rechtbank dus niet verjaard. 

Afdeling
De Afdeling overweegt dat de begunstigingstermijn is opgeschort doordat op 8 april 2019 uitspraak is gedaan door de rechtbank op het door appellant ingestelde beroep tegen de opgelegde dwangsommen. De Afdeling overweegt, anders dan de rechtbank dat de begunstigingstermijn zes weken na de uitspraak eindigde, dus op 20 mei 2019. De Afdeling leidt uit de uitspraak van de rechtbank van 8 april 2019 niet af dat de begunstigingstermijn zou zijn opgeschort tot zes weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank. Op 21 mei 2019 was de begunstigingstermijn dus al verstreken en daarom kon deze niet meer verlengd worden. De Afdeling volgt daarom het college niet in het standpunt dat met de brief van 13 juni 2019 de begunstigingstermijn verlengd is. 

Discrepantie tussen de rechtbank en de Afdeling
De rechtbank oordeelde dat uit de tekst van de uitspraak van 8 april 2019 bleek dat de begunstigingstermijn verlengd was tot zes weken na verzending van de uitspraak. De Afdeling kon dit niet afleiden uit de uitspraak en overwoog dat de begunstigingstermijn was verlengd tot zes weken na de uitspraak van 8 april 2019. Omdat de uitspraak pas later bekendgemaakt werd, eindigde de begunstigingstermijn op een andere datum.

Dit verschil had tot gevolg dat het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn pas na afloop van die termijn werd ingediend en daarom buiten beschouwing moest blijven. Daardoor was de invorderingsbevoegdheid inmiddels verjaard.

Het is dus van groot belang scherp te zijn op de precieze bewoordingen in rechterlijke uitspraken. Een onderscheid tussen ‘zes weken na de uitspraak’ en ‘zes weken na verzending van de uitspraak’ kan beslissend zijn voor de uitkomst.

Door R. (Rosa) Hoondert

Artikel delen