De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 18 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:783) dat de enkele vernietiging van het bestemmingsplan nog niet met zich brengt dat de daarop gebaseerde last onder dwangsom ook onrechtmatig is.

Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een door het college van burgemeester en wethouders (“college”) genomen besluit ter handhaving van het bestemmingsplan, waarvan het vaststellingsbesluit nadien sneuvelde bij de bestuursrechter. De Afdeling overweegt dat een besluit tot handhaving wegens overtreding van een bestemmingsplan niet kan worden aangemerkt als een rechtsgevolg van het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handhavingsbesluit mist de rechtsregel over de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit - namelijk dat deze met terugwerkende kracht ongedaan worden gemaakt tot het tijdstip waarop het besluit werd genomen - daarom toepassing; naar het oordeel van de Afdeling betekent de enkele vernietiging van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan op zichzelf niet dat ook de daarop gebaseerde last onder dwangsom onrechtmatig is. De Afdeling stelt evenwel vast dat het vernietigde bestemmingsplan in dit geval in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en met art. 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) beschikbaar is gesteld (zie de Afdelingsuitspraak van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:782), met als gevolg dat de Afdeling niet kan vaststellen in hoeverre ten tijde van het nemen van het bestreden handhavingsbesluit sprake was van een overtreding van dit bestemmingsplan. De Afdeling ziet hierin aanleiding om de beslissing op bezwaar te vernietigen en het college op te dragen een nieuw besluit op het verzoek om handhaving te nemen, rekening houdend met de feiten en omstandigheden zoals die zich inmiddels hebben voorgedaan (vgl. de Afdelingsuitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571).