Op 13 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening dat door een aantal bewoners van Amstelveen was ingediend tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan van Amstelveen. Dit wijzigingsbesluit verruimt de regels voor vergunningvrij bouwen, bijvoorbeeld voor bergingen en erfafscheidingen in het voorerfgebied. De verzoekers vrezen dat het benutten van deze mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen zal leiden tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het betoog van verzoekers leidt tot ‘complexe juridische vragen over de wijze waarop de raad zijn bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen mag gebruiken’ en dat deze vragen zich niet lenen voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure. Wie hoopte uit deze uitspraak wijzer te worden over de invulling van het ETFAL-criterium (evenwichtige toedeling van functies aan locaties), komt dus bedrogen uit. Deze keuze van de voorzieningenrechter is overigens op zichzelf wel begrijpelijk.
Het komt dus aan op een belangenafweging, waarbij de voorzieningenrechter uiteindelijk minder gewicht toekent aan de belangen van de verzoekers dan het belang van de raad om de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen te verruimen en daarmee de administratieve lasten van eigenaren en gebruikers van gronden in Amstelveen en van de eigen gemeente te verlagen. De Afdeling merkt daarbij expliciet op dat de Omgevingswet ruimte biedt voor (in onze woorden) het verminderen van regeldruk en procedures. Belangrijker voor het oordeel is dat volgens de voorzieningenrechter onder de oude bestemmingsplannen al grotendeels dezelfde bouwmogelijkheden bestonden waar het verzoekers om gaat, al dan niet na verlening van een omgevingsvergunning.
Met deze uitspraak kunnen bewoners van Amstelveen nu aan de slag met de nieuwe vergunningvrije bouwmogelijkheden – althans, totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak immers nog niets gezegd over de juridische houdbaarheid van deze vergunningvrije bouwmogelijkheden, zodat de kans bestaat dat deze over enige tijd alsnog ongedaan worden gemaakt. Wat zou er dan moeten gebeuren met in de tussentijd vergunningvrij gebouwde bouwwerken? De vernietiging van het wijzigingsbesluit heeft immers terugwerkende kracht, zodat de bouwwerken (voor zover dat onder de oude bestemmingsplannen het geval was) met terugwerkende kracht weer vergunningplichtig worden. De Tegelenjurisprudentie (zie Kort Commentaar Omgevingsrecht | Week 48 | DeHaan Advocaten en Notarissen) zal op die gevallen niet van toepassing zijn, juist omdat er geen bouwvergunning is die onherroepelijk kan worden. Wij verwachten in ieder geval dat enthousiaste bouwers met deze uitspraak van de voorzieningenrechter in de hand een sterk verhaal hebben dat handhavend optreden onevenredig is.