Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Vervallen oude Hinderwetvergunning?

Af en toe wordt nog geprocedeerd over de vraag of een oude Hinderwetvergunning is komen te vervallen. Op grond van artikel 27, eerste of derde lid, van de Hinderwet (oud) is dat het geval wanneer de inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning is voltooid én in werking is gebracht, of wanneer de inrichting drie achtereenvolgende jaren buiten werking is geweest. In deze zaak werd de Hinderwetvergunning gebruikt als referentiesituatie in het kader van interne saldering. De rechtbank had geoordeeld dat van die vergunning geen gebruik kon worden gemaakt. In hoger beroep oordeelt de Afdeling anders.

12 September 2025

Samenvatting

Samenvatting


 
Allereerst verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1587). Op basis daarvan geldt dat het college, in gevallen waarin geen aanwijzingen bestaan dat gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren minder dieren in de inrichting werden gehouden, bij het verlenen van een natuurvergunning ambtshalve onderzoek moet doen naar de vraag of een Hinderwetvergunning (al dan niet gedeeltelijk) is vervallen. Het is primair aan degene die stelt dat de Hinderwetvergunning is vervallen om feiten en omstandigheden aan te dragen die een begin van bewijs vormen voor die stelling.
 
De Afdeling is van oordeel dat in dit geval met de overgelegde gegevens geen begin van bewijs is geleverd dat de Hinderwetvergunning van 12 februari 1980 is vervallen. Uit de brief van de RVO van 29 december 2020 kan niet worden afgeleid dat de veehouder geen landbouwtelling heeft opgegeven. De RVO vermeldt in die brief slechts dat zij voor deze veehouderij alleen gegevens beschikbaar heeft over de jaren 1989 tot en met heden.
 
Zoals aangegeven in de e-mail van de RVO aan het college van 28 februari 2024, voerde de RVO vóór 1989 de landbouwtellingen nog niet zelf uit. Die gegevens werden toen ook niet door de RVO opgeslagen of bewaard. Bovendien wijst de RVO in die e-mail op het feit dat oudere gegevens soms niet meer beschikbaar zijn vanwege onder meer veranderende automatisering.
 
De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat MOB en Leefmilieu een begin van bewijs hebben geleverd voor de stelling dat vóór 1989 geen dieren in de veehouderij werden gehouden, enkel op basis van het ontbreken van gegevens bij de RVO uit die periode. Het hoger beroep is gegrond.
 
Kernpunt in deze zaak blijft dat bij de beoordeling of voor het aangevraagde project een natuurvergunning nodig is, de uitspraak van de AbRvS van 18 december 2024 van belang is. De natuurvergunning van 6 januari 2021 is niet beoordeeld conform de beoordelingswijze zoals uiteengezet in die uitspraak. De gevolgen van de referentiesituatie zijn ten onrechte betrokken bij de vraag of een vergunning nodig is. De vernietiging van het besluit van 6 januari 2021 blijft daarom in stand. AbRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4318

Artikel delen