Gemeenten die bij het wijzigen van hun omgevingsplan gebruikmaken van een voorrangsregel – een bepaling die regelt dat het nieuwe deel van het omgevingsplan voorgaat boven het tijdelijke deel – zijn daartoe juridisch bevoegd. Artikel 22.6, eerste lid, van de Omgevingswet staat dat niet in de weg. Dat oordeelt de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 18 maart 2026 over een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Ouder-Amstel.

De zaak betreft een eigenaar van een leegstaand pand in het centrumgebied van Ouderkerk aan de Amstel. Het perceel had in het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan de bestemming “Centrum”, op grond waarvan ook de begane grond voor woondoeleinden mocht worden gebruikt. De raad van Ouder-Amstel wijzigde het omgevingsplan in mei 2025 door aan het centrumgebied het werkingsgebied “Centrum – wonen begane grond uitgesloten” toe te kennen. Doel: het tegengaan van de omzetting van winkels naar woningen, ter bewaking van de levendigheid van het dorpscentrum. In de regels nam de raad een voorrangsregel op (artikel 7.4): de regels uit de bestemmingsplannen die deel uitmaken van het tijdelijke deel blijven gelden, tenzij zij in strijd zijn met het nieuwe deel.
Artikel 22.6 Ow en de voorrangsregel
Hoewel de appellant hierover geen beroepsgrond had aangevoerd, greep de voorzieningenrechter de zaak aan om de rechtspraktijk duidelijkheid te bieden over de vraag of, gelet op artikel 22.6 lid 1 Ow, een omgevingsplan voorrangsregels mag bevatten. Artikel 22.6 lid 1 Ow bepaalt dat bij de vaststelling van een omgevingsplan de voor een locatie geldende regels uit ruimtelijke plannen (die onderdeel zijn van het tijdelijke deel) slechts alle tegelijk kunnen komen te vervallen. Dit roept de vraag op of een voorrangsregel daarmee in strijd is: leidt zo’n regel er niet toe dat onderdelen van het tijdelijke deel buiten spel worden gezet?
De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Een voorrangsregel doet de regels uit ruimtelijke plannen niet vervallen: zij worden niet geschrapt of verwijderd. Alleen voor zover zij in strijd zijn met het nieuwe deel worden zij terzijde gesteld. Naar de redactie en de letterlijke uitleg van artikel 22.6, eerste lid, Ow staat die bepaling dat toe. De voorzieningenrechter voegt toe dat een voorrangsregel uiteraard niet rechtsonzeker mag zijn of tot rechtsonzekere situaties mag leiden. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval – in deze zaak liet de voorzieningenrechter die vraag buiten beschouwing, omdat het besluit al op andere gronden sneuvelde.
Belang voor de praktijk
Deze uitspraak is de eerste uitspraak waarin (de voorzieningenrechter van) de Afdeling zich uitlaat over de verhouding tussen voorrangsregels in het (nieuwe deel van het) omgevingsplan en artikel 22.6 Ow. Gemeenten die bij de gefaseerde uitwerking van hun omgevingsplan werken met voorrangsregels kunnen er op basis van deze uitspraak van uitgaan dat dit juridisch is toegestaan. Maar de zaak laat ook zien dat een technisch-juridisch houdbare voorrangsregel de gemeente niet ontslaat van de verplichting om alle relevante belangen – inclusief tijdig ingediende concrete initiatieven – zorgvuldig bij de besluitvorming te betrekken.
ABRvS 18 maart 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:1510.