Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Voortoets: reductie emissie technisch haalbaar, toch onvoldoende zekerheid als in onderzoek wordt uitgegaan van optimale omstandigheden

HoST heeft een natuurvergunning aangevraagd voor de bouw en exploitatie van een vergistingsinstallatie en de bouw en exploitatie van een houtgestookte verbrandingsinstallatie met productie van warmte en elektra (WKK-installatie) in Klazienaveen. De aanvraag gaat ervan uit dat de NOx-emissie van de WKK-installatie kan worden teruggebracht tot 3,5 mg NOx/Nm3 door de inzet van emissiereducerende technieken. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen natuurvergunning nodig is. MOB is tegen de positief afwijzende beschikking opgekomen.

27 March 2026

Samenvattingen

De rechtbank is in eerste instantie, kort gezegd, van oordeel dat het college niet kon volstaan met het uitvoeren van een voortoets. Tegen deze uitspraak is hoger beroep bij de Afdeling ingesteld.

De Afdeling stelt voorop dat In de voortoets de gevolgen van een project, zoals in dit geval de NOx-emissie van de WKK-installatie, met de ‘vereiste zekerheid’ in kaart worden gebracht. Dit vereiste volgt uit het voorzorgsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6, derde lid, Hrl. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak over emissies uit stallen van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2557, onder 6 tot en met 6.2. De Afdeling oordeelde in die uitspraak dat het college bij natuurvergunningen voor het bepalen van de omvang van de emissie van emissiearme stalsystemen de emissiefactor uit de Regeling ammoniak en veehouderij kan toepassen, als die emissiefactor de vereiste zekerheid biedt. De strekking van deze uitspraak vindt de Afdeling ook in deze zaak van belang

Volgens de rechtbank is niet geborgd en onderbouwd dat ook de vereiste wetenschappelijke zekerheid is verkregen dat de norm ook continu gehaald wordt. De vraag is aan de orde wat wordt bedoeld met het woord “continu” omdat niet in geschil is dat de emissiewaarde van 3,5 mg NOx/Nm3 een gemiddelde waarde is. De Afdeling begrijpt het woord continu zo dat de rechtbank bedoelt dat niet verzekerd is dat een gemiddelde waarde van 3,5 mg NOx/Nm3 niet slechts incidenteel (onder optimale omstandigheden) maar blijvend gehaald wordt.

De Afdeling is op basis van de onderzoeken van oordeel dat de betreffende emissiewaarde technisch haalbaar is. De vraag is vervolgens of deze continu kan worden gehaald. .

De ingeschakelde STAB stelt dat zij "aannemelijk acht dat alles is gedaan om de NOx-emissie zo ver mogelijk terug te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan gebruiken van stookhout met een zo laag mogelijk stikstofgehalte, optimale beheersing van de verbrandingscondities (zoals voorkomen van temperatuurpieken), optimale ureuminjectie en goed werkende SCR katalysatorbedden”.

Daarbij komt dat een optimalisatie van het proces op een (zeer) lage emissie NOx altijd leidt tot hogere bedrijfskosten in vergelijking met een installatie die ontworpen is, althans bedreven wordt, om slechts aan het Activiteitenbesluit (die een veel lagere norm bevat) te voldoen.

Dat HoST de lage emissiewaarde wil halen en bereid is daarvoor de nodige financiële inspanningen te doen zijn omstandigheden die niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag die in de voortoets voorligt, namelijk of op voorhand op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het aangevraagde project significante gevolgen heeft.

De Afdeling deelt, tenslotte, niet het standpunt van HoST en het college dat de rechtbank bij haar oordeel ten onrechte heeft betrokken dat andere installaties waar dezelfde technieken worden toegepast, niet een emissiewaarde van 3,5 mg NOx/Nm3 halen. De vergelijking met andere installaties, zoals de installatie in Bemmel, vindt de Afdeling relevant omdat die laat zien dat de emissie van een installatie waarin dezelfde emissiereducerende technieken worden toegepast heel verschillend kan zijn. Die verschillen zijn verklaarbaar omdat de emissie, zoals HoST en het college hebben toegelicht, in belangrijke mate afhankelijk is van de wijze waarop de installatie wordt ‘ingeregeld’.

Het college moet nog een nieuw besluit op de aanvraag nemen. Daarbij moet het college de uitspraak van de rechtbank in acht nemen. Die uitspraak gaat uitsluitend over de vraag of HoST een natuurvergunning nodig heeft voor het aangevraagde project. De uitspraak gaat niet over de vraag of voor het project een natuurvergunning kan worden verleend. Daarbij geldt dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.1 van de Rnb, de versie van AERIUS-Calculator moet worden gebruikt die op grond van artikel 1.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling in samenhang gelezen met bijlage II bij de Omgevingsregeling, geldt op het moment van het nemen van het nieuwe besluit (vergelijk de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3356).

AbRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1705

Artikel delen