Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Vrijwarende werking bouw- of milieuvergunning bij bestemmingsplanovertreding?

[appellant] is samen met [partij] eigenaar van het perceel. Naast de vleesvarkenshouderij bevindt zich op het perceel sinds 1996 ook het bedrijf Pro Line Holding B.V., een bedrijf dat visvoer produceert en handelt in hengelsportbenodigdheden en visvoer. Vaststaat en niet in geschil is dat de activiteiten van Pro Line Holding B.V. op het perceel in strijd zijn met het bestemmingsplan.

3 December 2025

In 2007 zijn aan [appellant] een milieuvergunning en een bouwvergunning verleend. De milieuvergunning is verleend voor de uitbreiding van de varkenshouderij met een visvoermakerij. De bouwvergunning is verleend voor de bouw van een opslagloods. Volgens [appellant] hebben deze vergunningen, met name de milieuvergunning, een vrijwarende werking. Het college is het daar niet mee eens en heeft [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens art. 2.1, lid 1, onder a en c Wabo.

De Rb. heeft geoordeeld dat het college handhavend mocht optreden. Daartoe heeft de Rb. overwogen dat volgens vaste rechtspraak aan een bouwvergunning geen zelfstandige betekenis meer toekomt na inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan waarin dat gebruik niet is opgenomen. In dit geval is het gebruik van het perceel voor de visvoermakerij en de detailhandelsactiviteiten niet positief bestemd, zodat de verleende bouwvergunning ten opzichte van het bestemmingsplan geen vrijwarende werking heeft.

Vast staat dat de bouw van een kantoor, kantine, toilet en showroom in de opslagloods, het gebruik van de opslagloods en de (buiten) opslag, de productie van visvoer in de varkensstal en de vestiging van twee bedrijven binnen het bouwvlak niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de milieuvergunning, al dan niet in combinatie met de bouwvergunning, de strijd met het bestemmingsplan opheft. De milieuvergunning maakt weliswaar de uitbreiding van het varkensbedrijf met een visvoermakerij mogelijk, maar de milieuvergunning heft het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel niet op.

Volgens de ABRvS heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan, waaruit [appellant] redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de milieuvergunning aan handhaving in de weg staat. Het college heeft er in de milieuvergunning op gewezen dat de milieuvergunning niet inhoudt dat daarmee voldaan is aan de bepalingen in andere wetten en verordeningen, zoals de bouwverordening en het bestemmingsplan. Hetzelfde geldt voor de bouwvergunning. Een door het college verleende bouwvergunning kan niet het vertrouwen wekken dat na inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan, waarin dat gebruik niet positief is bestemd, niet handhavend zal worden opgetreden.

Artikel delen