In de Omgevingswet is bepaald dat landelijke regels gelden voor het vellen en beheren van houtopstanden (artikel 4.3, eerste lid, onder o, van de Omgevingswet). Deze regels staan in het Bal. In artikel 11.129 van het Bal staat dat als een houtopstand is geveld of op een andere manier teniet is gegaan, binnen drie jaar zorg wordt gedragen voor herbeplanting van dezelfde grond. In artikel 11.111 van het Bal staat dat dit niet geldt voor houtopstanden in erven of in tuinen. Het doel van de herplantplicht is, onder andere, het behoud van de hoeveelheid bosareaal in Nederland (artikel 11.112 van het Bal)

Het woord ‘erf’ is in het Bal en in de Omgevingswet niet gedefinieerd. In bijlage I van het Bal wordt wel een definitie gegeven van ‘gebouwerf’, maar dit begrip wordt gebruikt in artikel 3.3a van het Bal en is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor toepassing van het begrip ‘erf’ in artikel 11.111 van het Bal. Ook het woord ‘tuin’ is niet gedefinieerd in het Bal. In het normale spraakgebruik wordt erf gezien als grond die bij een huis hoort. Dit volgt ook uit de omschrijvingen van het woord erf in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal (Van Dale) waarin onder andere staat dat het gaat om een ‘al of niet omheind, onbebouwd stuk grond, behorend bij een huis, m.n. een boerenwoning.’ Een tuin is volgens Van Dale: ‘omheind of afgeperkt stuk grond dat hoort bij een huis en dat daaraan sluit of het omgeeft, waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden’. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de uitleg van dit begrip de feitelijke situatie van belang. Daarbij kunnen kadastrale grenzen een rol spelen, maar deze zijn niet doorslaggevend. Het college heeft terecht gewezen op de functionele relatie tussen de grond en het huis. Gekeken moet worden naar de inrichting en het gebruik van de grond, ten tijde van het vellen.
Eiser heeft in zijn aanvullend stuk aangevoerd dat niets hem in de weg staat om zijn perceel als tuin in te richten. Hij stelt dat het college niet mag bepalen hoe hij zijn tuin inricht. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het perceel van eiser heeft op grond van het Omgevingsplan van de gemeente Borger -Odoorn gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch’. Op de gronden met agrarische bestemming is geen inrichting als tuin toegestaan. Er staat dus wel degelijk iets in de weg aan de inrichting van het perceel als ‘tuin’. Hieruit volgt dat eiser artikel 11.129 van het Bal heeft overtreden, omdat hij de grond waarop de bomen stonden niet binnen drie jaar heeft herbeplant. Het college was bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.
De regels over de herplantplicht gelden niet voor het dunnen van houtopstanden ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand (artikel 11.111, tweede lid, onder h, van het Bal). Met het college is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de bomen zijn verwijderd om de bomen die blijven staan een betere kans te geven. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat eiser na de velling het perceel heeft ingericht als weide en een paardenbak heeft aangelegd. De bomen die zijn overgebleven zijn solitaire bomen en maken geen deel meer uit van een houtopstand als geheel (bos), zoals dat voor het kappen aanwezig was. De beroepsgrond slaagt niet.
Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe (het college) heeft opgelegd aan eiser. Eiser moet een deel van zijn perceel herbeplanten met bomen voor 1 juni 2026. Doet hij dit niet dan moet hij dwangsommen van maximaal € 24.000,- betalen. Eiser is het niet eens met de last onder dwangsom. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het perceel van eiser is niet in zijn geheel aan te merken als tuin, er is geen sprake van het dunnen van een houtopstand en de last is niet onuitvoerbaar of onevenredig. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op 16 september 2024 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de last gewijzigd. Het college heeft een deel van het perceel, dat volgens het college kan worden gezien als tuin, uitgezonderd van de herplantplicht. Eiser moet de rest van het perceel op bosbouwkundige wijze herbeplanten voor 1 december 2025.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende stukken gestuurd. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft het college de periode waarbinnen eiser de last kan uitvoeren zonder dwangsom te verbeuren (de begunstigingstermijn) verlengd tot 1 juni 2026.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college samen met [naam 1] en [naam 2].
Is er sprake van een overtreding?
Tussen partijen is niet in geschil dat in de winter van 2020/2021 een groot deel van de bomen op het perceel van eiser is gekapt, zonder dat dit vooraf aan het college is gemeld. Eiser heeft dezelfde grond niet binnen drie jaar herbeplant. Eiser is echter van mening dat dit geen overtreding van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) oplevert (ten tijde van het kappen van de bomen gold nog de Wet natuurbescherming (Wnb), waarin vergelijkbare bepalingen voorkwamen. Op grond van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt nu de Omgevingswet. De last onder dwangsom is namelijk aangekondigd en opgelegd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024), omdat zijn woning op het perceel staat. Het hele perceel is daarom aan te merken als erf. De verplichting om gekapt bos te herplanten geldt niet voor erven, aldus eiser.
In de Omgevingswet is bepaald dat landelijke regels gelden voor het vellen en beheren van houtopstanden (artikel 4.3, eerste lid, onder o, van de Omgevingswet). Deze regels staan in het Bal. In artikel 11.129 van het Bal staat dat als een houtopstand is geveld of op een andere manier teniet is gegaan, binnen drie jaar zorg wordt gedragen voor herbeplanting van dezelfde grond. In artikel 11.111 van het Bal staat dat dit niet geldt voor houtopstanden in erven of in tuinen.
De rechtbank is met het college van oordeel dat het perceel niet in zijn geheel is aan te merken als erf of tuin in de zin van artikel 11.111 van het Bal. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Het woord ‘erf’ is in het Bal en in de Omgevingswet niet gedefinieerd. In bijlage I van het Bal wordt wel een definitie gegeven van ‘gebouwerf’, maar dit begrip wordt gebruikt in artikel 3.3a van het Bal en is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor toepassing van het begrip ‘erf’ in artikel 11.111 van het Bal. Ook het woord ‘tuin’ is niet gedefinieerd in het Bal.
In het normale spraakgebruik wordt erf gezien als grond die bij een huis hoort. Dit volgt ook uit de omschrijvingen van het woord erf in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal (Van Dale) waarin onder andere staat dat het gaat om een ‘al of niet omheind, onbebouwd stuk grond, behorend bij een huis, m.n. een boerenwoning.’ Een tuin is volgens Van Dale: ‘omheind of afgeperkt stuk grond dat hoort bij een huis en dat daaraan sluit of het omgeeft, waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden’. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de uitleg van dit begrip de feitelijke situatie van belang. Daarbij kunnen kadastrale grenzen een rol spelen, maar deze zijn niet doorslaggevend. Het college heeft terecht gewezen op de functionele relatie tussen de grond en het huis. Gekeken moet worden naar de inrichting en het gebruik van de grond, ten tijde van het vellen (vergelijk ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3348.).
Het college heeft luchtfoto’s overgelegd, waaruit blijkt dat in 2020 vrijwel het gehele perceel was begroeid met bomen, behalve het gedeelte rondom het huis. Uit de luchtfoto uit 2021 blijkt dat vrijwel alle bomen op het driehoekige perceel zijn gekapt. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat het deel van het perceel dat het college niet als ‘tuin’ heeft aangemerkt, ten tijde van de velling was ingericht en werd gebruikt als bos. De rechtbank betrekt hierbij de grootte van het perceel (ongeveer 15.000 m²) en de hoeveelheid grond waarop de bomen zijn verwijderd (ongeveer 12.000 m²). Eiser heeft niet aangetoond dat zijn gehele perceel werd gebruikt en was ingericht als behorend bij de woning.
Eiser heeft in zijn aanvullend stuk aangevoerd dat niets hem in de weg staat om zijn perceel als tuin in te richten. Hij stelt dat het college niet mag bepalen hoe hij zijn tuin inricht. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het perceel van eiser heeft op grond van het Omgevingsplan van de gemeente Borger -Odoorn gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch’. Op de gronden met agrarische bestemming is geen inrichting als tuin toegestaan. Er staat dus wel degelijk iets in de weg aan de inrichting van het perceel als ‘tuin’.
Hieruit volgt dat eiser artikel 11.129 van het Bal heeft overtreden, omdat hij de grond waarop de bomen stonden niet binnen drie jaar heeft herbeplant. Het college was bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Is er sprake van dunning?
Eiser stelt dat het college niet heeft gereageerd op zijn standpunt dat er is gedund. Hij heeft steeds ‘gedund’, omdat de bomen in slechte staat waren. Op een gegeven moment is er dan geen sprake meer van dunning. Het college had hier onderzoek naar moeten doen, aldus eiser. Als er al geen sprake is van dunning, dan is de last te omvangrijk, aldus eiser.
De regels over de herplantplicht gelden niet voor het dunnen van houtopstanden ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand (artikel 11.111, tweede lid, onder h, van het Bal). Met het college is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de bomen zijn verwijderd om de bomen die blijven staan een betere kans te geven. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat eiser na de velling het perceel heeft ingericht als weide en een paardenbak heeft aangelegd. De bomen die zijn overgebleven zijn solitaire bomen en maken geen deel meer uit van een houtopstand als geheel (bos), zoals dat voor het kappen aanwezig was. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last te verstrekkend?
Eiser heeft aangevoerd dat het gedeelte van het perceel dat het college heeft aangemerkt als ‘tuin’ niet juist is. Volgens hem is aan de noordkant duidelijk een omheining zichtbaar. Ook zijn buiten de tuin allerlei bebouwing en objecten zichtbaar.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd hoe het heeft bepaald welk gedeelte van het perceel was ingericht als tuin ten tijde van de velling. Eiser heeft hier onvoldoende tegenin gebracht. Het hek en de bebouwing waar eiser op doelt, staan op de luchtfoto’s van na de velling en kunnen dus niet dienen als bewijs van de inrichting van het perceel vóór de velling. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last uitvoerbaar?
Eiser stelt dat de last niet uitvoerbaar is, omdat de bodem te slecht is voor bomen. Het college had hier onderzoek naar moeten doen, aldus eiser. Eiser heeft zelf onderzoek laten doen door TreeVision. Hij heeft een rapport overlegd van 20 juni 2025. TreeVision concludeert dat de bodem onvoldoende geschikt is voor duurzame instandhouding van nieuw te planten bomen. Dit komt door verdichting en grove wortelresten. Hij adviseert de wortelresten te verwijderen en de bodemstructuur te verbeteren.
Het college heeft gereageerd op het onderzoek van TreeVision. Volgens het college is het onderzoek te summier om de conclusie te kunnen dragen. Er missen volgens het college een duidelijke locatieaanduiding, het is onduidelijk hoeveel en waar metingen zijn verricht, er ontbreekt seizoenscorrectie en de meetdiepte is niet inzichtelijk. Bovendien is het onderzoek uitgevoerd door een boomverzorger. Boomverzorgers zijn gericht op de gezondheid en veiligheid van de individuele boom, en niet op de gezondheid van een bos als geheel. De bodem van eiser bestaat uit veldpodzol en de helft van de Drentse bossen groeit daarop, aldus het college. Het college merkt verder op dat in het rapport staat dat paarden en bomen een slechte combinatie zijn. Maar eiser heeft pas na de velling het perceel ingericht voor het houden van paarden. Eiser heeft dus zelf bijgedragen aan de verslechtering door paarden op het perceel te zetten, aldus het college. Uit de luchtfoto’s van voor de kap blijkt niet dat de bomen ziek zijn, er zijn gezonde kronen zichtbaar. Ook het verwijderen van alle wortels is volgens het college niet nodig. Volgens het college is voor het goed aanslaan van de bomen vooral van belang welke boomsoorten eiser plant.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om te oordelen dat het college onderzoek had moeten doen naar de uitvoerbaarheid van de last vanwege ongeschikte grond. Het college heeft in 2021 al aangegeven dat eiser voor 1 mei 2024 de grond moest herbeplanten. Eiser heeft toen niet aangegeven dat de grond niet geschikt zou zijn voor bomen. In het bezwaarschrift heeft hij alleen gezegd dat de bomen in slechte staat waren. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende gemotiveerd het standpunt van eiser dat de grond ongeschikt is, heeft weerlegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last duidelijk?
Eiser stelt dat de last onduidelijk is, omdat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de oorspronkelijke staat van het perceel.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat eiser niet het oorspronkelijke aantal bomen of de oorspronkelijke staat van het bos moet herstellen. De last vereist herbeplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze. Het college heeft aangegeven dat deze wijze is nader geconcretiseerd in de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe en heeft een voorbeeld gegeven in de last. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last onevenredig bezwarend voor eiser?
De kosten voor het geschikt maken van de bodem voor bomen zijn volgens eiser veel te hoog. De last is daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Het doel van de herplantplicht is, onder andere, het behoud van de hoeveelheid bosareaal in Nederland (artikel 11.112 van het Bal). Het opleggen van een last tot herbeplanting is dan ook een geschikt en noodzakelijk middel om dit doel te bereiken. Dat hier kosten mee gemoeid zijn, is het rechtstreekse gevolg van de kap. Uit wat eiser heeft aangevoerd is niet gebleken dat het gehele (bos)perceel ongeschikt is voor de herplant, wat de oorzaak hiervan is, voor wiens rekening deze oorzaak hoort te komen en wat de exacte kosten zijn. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de last in dit geval onevenredig is.
Het beroep is ongegrond.