Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Wanneer kwalificeert een sloot als oppervlaktewaterlichaam?

In haar uitspraak van 18 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:917) oordeelt de Afdeling dat het water uit een zogeheten ‘effluentsloot’ in dit geval moet worden aangemerkt als een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Keur en de Waterwet. Om die reden heeft het dagelijks bestuur van het waterschap terecht een last onder dwangsom opgelegd aan de maatschap die het slootwater in strijd met het provinciale onttrekkingsverbod gebruikte om haar akker te beregenen.

26 February 2026

Samenvattingen

In hoger beroep betoogt de maatschap dat de 200 meter lange sloot, waarin het teveel aan water (‘effluent’) uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) wordt geloosd niet kwalificeert als een oppervlaktewater en het verbod om slootwater te onttrekken om die reden niet is overtreden. De Afdeling overweegt dat uit de definitieomschrijving van art. 1.1, eerste lid, Waterwet en het corresponderende artikel uit de Keur volgt dat een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water in beginsel een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam is. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk, die in het licht van de Kaderrichtlijn Water (“KRW”) beperkt moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de doelen van de KRW. Of sprake is van een situatie waarin zich zo’n uitzondering voordoet moet volgens de Afdeling van geval tot geval worden beoordeeld. De Afdeling stelt vast dat de watergang ondanks de door de maatschap aangebrachte stuw een waterafvoerende functie heeft en jaarrond in verbinding staat met ander oppervlaktewater. Volgens de Afdeling is in dit geval geen sprake van een incidenteel aanwezige watermassa en bestaat evenmin aanleiding om een uitzondering aan te nemen op de kwalificatie van het water uit de effluentsloot als (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam. De Afdeling concludeert dat de maatschap daarmee het onttrekkingsverbod heeft overtreden.

Artikel delen