Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Wat gaat voor, facetbestemmingsplan (in tijdelijk deel omgevingsplan) of bruidsschat? toepassing voorrangsbepaling art. 22.1, lid 1 omgevingsplan

De rechtbank Gelderland heeft op 7 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3432, een erg instructieve uitspraak gedaan over de werking van de voorrangsbepaling van artikel 22.1, lid 1 van het omgevingsplan. Het ging hierbij om de vraag wat voorrang had: bepalingen over archeologie uit een facetbestemmingsplan (dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) of bepalingen over vergunningvrije activiteiten uit de bruidsschat (die ook deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan).

7 May 2026

Eisers voeren aan dat aan de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan geen waarde toekomt omdat het bouwplan en de grondwerkzaamheden op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan vergunningvrij zijn. Op grond van artikel 22.22 van het omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold (artikel 22.22 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 geschrapt) is sprake van een vrijstelling van archeologisch onderzoek omdat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Volgens eisers gaat dit artikel voor op de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Eisers wijzen verder op artikel 22.27, artikel 22.28, vierde lid, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold (artikel 22.28 is per 13 april 2026 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 gewijzigd), en artikel 22.36 van het omgevingsplan. Op grond van die bepalingen is het bouwplan, waaronder ook de daarbij behorende grondwerkzaamheden, omgevingsvergunningvrij. Ook deze bepalingen gaan voor op het facetbestemmingsplan zodat het bouwplan zonder omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, ongeacht wat er in het facetbestemmingsplan is opgenomen.

De rechtbank oordeelt dat als sprake zou zijn van strijd met artikel 22.22 van het omgevingsplan, sprake zou zijn van strijd tussen die bepaling en de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Op dat moment wordt de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid van het omgevingsplan van belang. In die voorrangsbepaling staat kort samengevat dat als de regels van de bruidsschat in strijd zijn met het facetbestemmingsplan, de regels van het facetbestemmingsplan in de meeste gevallen voorgaan. Artikel 22.22 valt onder deze hoofdregel, zodat in dit geval de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan voorrang krijgen en blijven gelden. In zoverre is dus geen sprake van omgevingsvergunningvrije activiteiten. Ditzelfde geldt voor artikel 22.27 van het omgevingsplan, waarin criteria zijn opgenomen wanneer een bijbehorend bouwwerk zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Ook voor artikel 22.27 geldt de hoofdregel dat bij strijdigheid het facetbestemmingsplan voorgaat.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Daarmee kreeg elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Voor het perceel van eisers zijn de bestemmingsplannen “ Nijmegen -Oost” en “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” van toepassing. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om deze tijdelijke delen om te zetten in hun omgevingsplan. Tijdens de periode tot 2031 kan het zo zijn dat voor dezelfde situatie artikelen van toepassing zijn uit zowel de bruidsschat als de bestemmingsplannen. Daarom is in de bruidsschat, in artikel 22.1 van het omgevingsplan, een voorrangsbepaling opgenomen waaruit volgt welk artikel in zo’n situatie van toepassing is.

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.

Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “ Nijmegen Oost” aan de achterzijde van de woning de bestemming “Wonen” en op grond van het “Facetbestemmingsplan archeologie 2023” de bestemming “Waarde-Archeologie 1”.

Het college stelt zich op het standpunt dat uit het facetbestemmingsplan volgt dat het verboden is om zonder vergunning grondwerkzaamheden te verrichten op gronden met de bestemming “Waarde-Archeologie 1”, tenzij op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Volgens het college is niet aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, terwijl er evenmin een vergunning is verleend, zodat sprake is van een overtreding. Het college heeft ook geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien.

Is sprake van een overtreding?

Eisers betogen dat geen sprake is van een overtreding. Ten eerste voeren zij daartoe aan dat het facetbestemmingsplan niet op hen van toepassing is omdat zij bij de voorbereiding van de gewenste werkzaamheden in 2023 al hebben geconstateerd dat volgens de vergunningscheck op [website 1] voor de werkzaamheden geen omgevingsvergunning nodig was. Daarbij vallen de werkzaamheden ook onder het overgangsrecht van het nadien vastgestelde facetbestemmingsplan. Voor zover de werkzaamheden wel onder de werking van het nieuwe facetbestemmingsplan zouden vallen betogen eisers dat de bouw niet in strijd is met dat bestemmingsplan en dat het bouwen van de serre sowieso omgevingsvergunningvrij is op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan.

Kunnen eisers rechten ontlenen aan een vergunningcheck in februari 2023?

Eisers stellen dat zij in februari 2023 aan de hand van een vergunningcheck hebben vastgesteld dat geen omgevingsvergunning nodig was voor het bouwplan. Eisers vinden dat het toen geldende planologische kader nog steeds op hen van toepassing is, zeker nu het college hen ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november van dat jaar. Daarbij doen zij ook een beroep op het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan.

De beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten of een vergunningcheck op [website 1] kan leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat inderdaad geen vergunning nodig is, zegt een check alleen iets over de situatie op dat moment. Als later nieuwe regels worden vastgesteld kan aan zo’n check dus geen waarde meer worden gehecht. Toen eisers ruim een jaar later, ná de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november 2023, begonnen met de grondwerkzaamheden konden zij dus niet meer afgaan op die eerdere check. Het betoog van eisers dat het college hen op de hoogte had moeten stellen van de vaststelling van het facetbestemmingsplan maakt dat ook niet anders. Niet gebleken is dat de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen het facetbestemmingsplan op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt. Het is niet gebruikelijk dat een nieuw bestemmingsplan aan elke betrokken inwoner van de gemeente persoonlijk wordt toegezonden. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van burgers om in de gaten te houden welke wet- en regelgeving van toepassing is op hun perceel.

De werkzaamheden vallen evenmin onder het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan. In artikel 12.1.1. van de planvoorschriften staat dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, onder het overgangsrecht valt. De bouw van de nieuwe serre valt niet onder een van deze voorwaarden, omdat het op 29 november 2023 nog niet gebouwd of in uitvoering was en er evenmin een vergunning voor was verleend. Een enkele gestelde check op internet valt namelijk niet gelijk te stellen met een verkregen omgevingsvergunning. Evenmin kan worden gesteld dat de werkzaamheden toen al in uitvoering waren. Het overgangsrecht is dus niet van toepassing. De verwijzing van eisers naar artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet slaagt evenmin. Dit overgangsrecht ziet ook op bouwwerkzaamheden die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gestart.

Het voorgaande betekent dat deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van het facetbestemmingsplan en de overige regels in het omgevingsplan.

Zijn de werkzaamheden omgevingsvergunningvrij?

De rechtbank stelt vast dat het facetbestemmingsplan voor zover van belang twee verbodsbepalingen bevat. Artikel 3.2.1. van de planvoorschriften bepaalt dat op gronden met ‘Waarde - Archeologie 1’, zoals het perceel van eisers, niet mag worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan. Op grond van artikel 3.3.1. van het facetbestemmingsplan kan een vergunning worden verleend om van artikel 3.2.1. af te wijken. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Artikel 3.4.1. van de planvoorschriften bepaalt dat het verboden is op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren, waartoe onder meer worden gerekend het afgraven, woelen of mengen van gronden, alsmede het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen. Artikel 3.4.2. bepaalt dat dit verbod niet van toepassing is als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Niet in geschil is dat ten behoeve van de bouw van de serre grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarbij een andere en grotere fundering werd aangebracht dan die van de oorspronkelijke serre, zodat sprake is van strijd met deze verbodsbepalingen. In het bestreden besluit is het college ingegaan op zowel de strijd met artikel 3.2.1. als met artikel 3.4.1 van de planregels. Zoals op de zitting toegelicht heeft het college uiteindelijk de bepaling van artikel 3.4.1 van de planregels tegengeworpen om duidelijk te maken dat het verbod ziet op de grondwerkzaamheden, niet het bovengronds bouwen van de serre. Het college heeft in dat kader in het bestreden besluit verwezen naar de toelichting bij het facetbestemmingsplan, met een verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling.

Eisers hebben geen punt gemaakt van de vraag welke van de twee verbodsbepalingen gehanteerd moet worden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daar verder op in te gaan omdat het duidelijk is dat ofwel beide verbodsbepalingen, ofwel één van die bepalingen van toepassing is en de gronden die eisers aanvoeren in gelijke mate van toepassing zijn op beide verbodsbepalingen. Eisers voeren namelijk aan dat aan de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan geen waarde toekomt omdat het bouwplan en de grondwerkzaamheden op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan vergunningvrij zijn. Op grond van artikel 22.22 van het omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold (artikel 22.22 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 geschrapt), is sprake van een vrijstelling van archeologisch onderzoek omdat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Volgens eisers gaat dit artikel voor op de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Eisers wijzen verder op artikel 22.27, artikel 22.28, vierde lid, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold (artikel 22.28 is per 13 april 2026 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 gewijzigd), en artikel 22.36 van het omgevingsplan. Op grond van die bepalingen is het bouwplan, waaronder ook de daarbij behorende grondwerkzaamheden, omgevingsvergunningvrij. Ook deze bepalingen gaan voor op het facetbestemmingsplan zodat het bouwplan zonder omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, ongeacht wat er in het facetbestemmingsplan is opgenomen.

Dit betoog slaagt niet. In artikel 22.22 van het omgevingsplan is kort samengevat bepaald dat regels over het verrichten van archeologisch onderzoek voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing zijn als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2, of een afwijkende andere oppervlakte als die in het bestemmingsplan is opgenomen. Ten eerste volgt uit het facetbestemmingsplan dat bij de bestemming “Waarde - Archeologie 1” voor alle activiteiten waarbij sprake is van een bodemingreep, hoe beperkt ook, een omgevingsvergunning nodig is. Dit is anders bij de bestemmingen “Waarde - Archeologie 2” en “Waarde - Archeologie 3” waar wel een aantal m2 is opgenomen waarbinnen geen omgevingsvergunning nodig is. In de zin van artikel 22.22 van het omgevingsplan geldt binnen de bestemming “Waarde – Archeologie 1” dus een afwijkende oppervlakte, namelijk 0 m2, zodat geen sprake is van strijd met dit artikel. Ten tweede is van belang dat als wél sprake zou zijn van strijd met artikel 22.22 van het omgevingsplan, sprake zou zijn van strijd tussen die bepaling en de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Op dat moment wordt de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid van het omgevingsplan van belang (in artikel 22.1, eerste lid van het Omgevingsplan staat: “De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.” Dit betekent dat een bestemmingsplan in zo’n geval voorgaat op de artikelen 22.4 t/m 22.35 en de artikelen 22.41 t/m 22.270 als deze in strijd zijn met het Omgevingsplan. Dit geldt niet voor de artikelen 22.36 t/m 22.40.) In die voorrangsbepaling staat kort samengevat dat als de regels van de bruidsschat in strijd zijn met het facetbestemmingsplan, de regels van het facetbestemmingsplan in de meeste gevallen voorgaan. Artikel 22.22 valt onder deze hoofdregel, zodat in dit geval de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan voorrang krijgen en blijven gelden. In zoverre is dus geen sprake van omgevingsvergunningvrije activiteiten.

Ditzelfde geldt voor artikel 22.27 van het omgevingsplan, waarin criteria zijn opgenomen wanneer een bijbehorend bouwwerk zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Ook voor artikel 22.27 geldt de hoofdregel dat bij strijdigheid het facetbestemmingsplan voorgaat. Artikel 22.27 doet daarom dus al niet af aan de tegengeworpen verbodsbepaling. Daarbij heeft het college er ook terecht op gewezen dat in artikel 22.28, vierde lid, van het omgevingsplan een uitzondering is opgenomen op het omgevingsvergunningvrije bouwen. Daarin is bepaald dat artikel 22.27 niet van toepassing is als in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 van het omgevingsplan, tenzij, onder meer, dat tijdelijke deel een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Uit de toelichting bij deze bepaling volgt dat bedoeld is dat een eventuele vrijstelling voor een vergunning om te bouwen, een bestaande vergunningplicht voor de grondwerkzaamheden wegens archeologische onderzoek, onverlet laat. De toelichting bij de bruidsschat verwijst daarbij naar de hiervoor al aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014. Het college heeft dan ook terecht overwogen dat uit (deze toelichting bij) de bruidsschat volgt dat de grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de serre sowieso niet onder de werking van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen.

Nu de grondwerkzaamheden niet onder vrijstelling van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen, vallen ze evenmin onder de werking van artikel 22.36 van het omgevingsplan. Dat artikel ziet namelijk op de in artikel 22.27 van het omgevingsplan bedoelde gevallen. Nu artikel 22.27 niet op de grondwerkzaamheden ziet, slaagt het beroep op artikel 22.36 ook niet.

Het voorgaande betekent dat de grondwerkzaamheden niet vergunningvrij zijn op grond van de bepalingen van het omgevingsplan.

Hebben eisers aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn?

Vervolgens hebben eisers betoogd dat het verbod om de grondwerkzaamheden uit te voeren in hun geval niet geldt, omdat zij hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn en deze waarden dus ook niet onevenredig kunnen worden geschaad.

Ook dit betoog faalt. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers ten tijde van het opleggen van de last geen archeologisch onderzoek of andere stukken hadden overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren. Zij hebben er nadien wel op gewezen dat de betrokken gronden bij de bouw in 1914 en bij de bouw van de serre in 1994 flink zijn geroerd. Vast staat echter dat het bouwplan een uitbreiding van de serre omvat zodat uit die eerdere werkzaamheden niet volgt dat ook op de plaats van de uitbreiding geen archeologische waarden meer aanwezig zijn.

Verder betogen eisers dat in 2017 archeologisch onderzoek5 is gedaan en dat toen is geconstateerd dat ter plaatse sprake is van een verstoorde en gewoelde grond. Eisers geven echter zelf al aan dat het onderzoek uit 2017 ziet op de voorzijde van de woning. Het is niet in geschil dat juist de achterzijde van het perceel boven een voormalige Romeinse gracht ligt, zodat de situatie daar weer anders kan zijn dan aan de voorzijde van het perceel. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat, juist omdat het gaat om een archeologisch bijzonder gebied, de bevindingen op elk perceel weer anders kunnen zijn. Daarom zeggen bevindingen op andere locaties in de omgeving niet zonder meer iets over de situatie ter plaatse van de uitbreiding van de serre.

Na het opleggen van de last hebben eisers een archeoloog van [naam bedrijf] B.V. opdracht gegeven onderzoek te verrichten. Deze heeft op 1 augustus 2024 een programma van eisen opgesteld, waarna het [naam bureau] grondboringen heeft verricht en op 5 november 2024 een advies heeft opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat de bodem ter hoogte van de meeste boringen tot grote diepte was verstoord, maar dat op twee punten op 95 cm onder maainiveau onverstoorde zandafzettingen aanwezig waren met daarin een donker spoor dat betreft ligging en oriëntatie overeenkomt met een van de spitsgrachten van het Romeinse legioensfort. Geadviseerd wordt om een zandlaag van 30 cm boven het spoor van de spitsgracht in acht te nemen.

Eisers hebben het onderzoek van [naam bedrijf] bekritiseerd en ook het advies van [naam bureau]. Zij hebben daartoe onder meer een rapport van hun architect, [naam architect] van september 2024 overgelegd. Wel hebben ze hun bouwplan zodanig aangepast dat een zandlaag van 30 cm boven de spitsgracht in acht werd gehouden.

De rechtbank stelt voorop dat deze onderzoeken dateren van na de last, het advies van [naam bureau] zelfs van na de beslissing op bezwaar. Daarnaast volgt uit het advies van [naam bedrijf] dat nader onderzoek plaats moet vinden en komt uit dat nader onderzoek door [naam bureau] naar voren dat het bouwplan enigszins aangepast moet worden om de nog aanwezige sporen van de Romeinse gracht te beschermen. Eisers betwisten deze rapporten wel en ook de noodzaak van het behouden van een zandlaag van 30 cm, maar daarmee hebben zij nog niet aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Het voorgaande betekent dat eisers niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Nu zij ten tijde van het opleggen van de last en ook ten tijde van de beslissing op bezwaar evenmin een vergunning hadden voor de grondwerkzaamheden, was sprake van een overtreding van de bepalingen van het facetbestemmingsplan.

Is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien?

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, moet in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en wijzen op het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Eisers vinden het belang van archeologisch onderzoek van een klein stukje grond dat volgens hen zeker verstoord is (gelet op eerdere onderzoeken) niet in verhouding staan tot het dwingen van burgers om maandenlang in een gesloopt huis zonder achtergevel te bivakkeren.

Is handhaving evenredig?

De rechtbank stelt vast dat het college heeft gehandeld overeenkomstig het facetbestemmingsplan. De kritiek van eisers komt er voor een groot deel ook op neer dat zij vinden dat het facetbestemmingsplan te streng is, omdat nu voor alle activiteiten waarbij grondwerkzaamheden nodig zijn, een omgevingsvergunning nodig is. Ook als de (bouw)activiteiten op minder dan 50 m2 zien.

Als eisers het niet eens waren met het facetbestemmingsplan, hadden zij rechtsmiddelen moeten indienen tegen de vaststelling van het facetbestemmingsplan. Die mogelijkheid hebben zij ook gehad. Het facetbestemmingsplan is nu echter onherroepelijk en de inhoud van het facetbestemmingsplan kan daarom niet aan de orde komen.

Uit dat facetbestemmingsplan volgt dat onderzoek plaats moest vinden. Als het college daarop niet zou handhaven dan zou dit facetbestemmingsplan een lege huls zijn. Daarmee is geen sprake van een relatief gering belang van de gemeente, dat niet zou opwegen tegen gevolgen voor eisers. Dat in het geval van eisers niet alleen dat onderzoek nodig was, maar dat het ook heeft geleid tot vertraging van de bouw en stress, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de plicht om het onderzoek te verrichten, maar van het feit dat eisers dat niet vóór de werkzaamheden hadden gedaan. Zoals hiervoor overwogen mocht het college van eisers verwachten dat zij op de hoogte waren van (wijzigingen in) de regels die voor hun perceel gelden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de handelswijze van het college niet onevenredig is. Om diezelfde redenen kan het betoog van eisers dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, evenmin slagen.

Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?

Voor zover eisers aanvoeren dat de opgelegde last onder dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank dat niet. Volgens eisers hebben de bewoners van het pand [adres 2] in [plaats] op 16 februari 2024 een brief gekregen van het college waarin staat dat eenzelfde soort verbouwing (vervanging en uitbreiding van een aanbouw buiten de bestaande fundering) zonder omgevingsvergunning is toegestaan. Het college heeft aangegeven dat bij [adres 2] een fout is gemaakt omdat het college een verkeerde uitleg van de Omgevingswet had gevolgd. Het college wil deze fout niet herhalen. Ook is aangegeven dat het college de gemaakte fout zal herstellen door te beoordelen of er voor die situatie alsnog een omgevingsvergunning verleend kan worden. De rechtbank is het met het college eens dat daarom geen sprake is van een gelijk geval waar een dergelijke uitbouw wel is toegestaan zonder omgevingsvergunning.

Is sprake van schending van vertrouwensbeginsel door de acceptatie van de sloopmelding?

Eisers voeren verder aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel omdat het college akkoord heeft gegeven op de melding voor de sloopwerkzaamheden. Het moet voor het college toen bekend zijn geweest dat onderdeel van de sloopwerkzaamheden het uitgraven van de fundering was. Dit betekent dat het college impliciet een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouwwerkzaamheden.

Ook dit betoog faalt. Als eerste geldt voor de sloopmelding een ander toetsingskader, afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De grondwerkzaamheden waarvoor de last is opgelegd betreffen daarnaast een groter oppervlak dan alleen de bestaande serre, zodat ook in zoverre de sloopmelding geen vertrouwen kon opleveren dat alle grondwerkzaamheden akkoord waren.

Eisers voeren ook aan dat er tijdens de procedure veel onduidelijkheid is geweest in de communicatie van de gemeente. Telkens werden door ambtenaren, juristen en andere vertegenwoordigers van de gemeente over de bepalingen uit het facetbestemmingsplan andere interpretaties gegeven en andere verwachtingen gewekt. De adviseur rechtsbescherming heeft volgens eisers aan hen medegedeeld dat de afdeling juridische zaken aan de handhavingsambtenaar zou adviseren om de last onder dwangsom in te trekken omdat het bouwplan zonder omgevingsvergunning zou kunnen worden gerealiseerd. Later bleek dit niet zo te zijn. Daarnaast wijzen eisers erop dat in de beslissing op bezwaar de grondslag van de last onder dwangsom is gewijzigd.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er bij de gemeente onduidelijkheid bestond over de toepassing van het omgevingsplan en het facetbestemmingsplan. Dit is ook naar eisers toe geuit. Eisers hebben daarom langere tijd in onzekerheid verkeerd over hun situatie. De rechtbank merkt daarbij wel op dat deze onduidelijkheid niet zozeer was gelegen in het facetbestemmingsplan. Dat schrijft duidelijk voor dat bij deze bestemming voor alle grondwerkzaamheden, al dan niet in combinatie met bouwactiviteiten, archeologisch onderzoek nodig is. De onduidelijkheid zag op de vraag of dit door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan door de bruidsschat opzij werd gezet. Dat ook binnen de gemeente over die landelijke regelgeving onduidelijkheid bestond, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat de adviseur rechtsbescherming zou hebben aangegeven dat geadviseerd is om de last onder dwangsom in te trekken kan niet worden aangemerkt dat als een ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegde ambtenaar dat zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat een wijziging van de grondslag van een last onder dwangsom in de beslissing op bezwaar mogelijk is omdat de bezwaarschriftenprocedure een algehele heroverweging van het primaire besluit inhoudt (zie artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht). In de bezwaarschriftenprocedure kunnen daarom gemaakte fouten worden hersteld. Het college heeft weliswaar een andere grondslag aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd, dit maakt de gevolgen van het primaire besluit niet anders.

Zorgvuldigheidsbeginsel

Voor zover eisers aanvoeren dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij bij de oplegging van de last onder dwangsom niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze tegen dit besluit kenbaar te maken volgt de rechtbank dat niet. Er was sprake van een spoedeisende situatie waarbij de werkzaamheden direct stil moesten worden gelegd om mogelijke schade aan archeologische waarden te voorkomen. In geval van een spoedeisende situatie kan op grond van artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het vragen van een zienswijze achterwege worden gelaten. Daarnaast blijkt uit de last onder dwangsom dat eisers door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen telefonisch in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze te geven.

Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en dat er voor het college geen grond was om af te zien van handhaving.

Conclusie en gevolgen

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Artikel delen