De rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de gemeente Ede terecht een omgevingsvergunning heeft geweigerd voor de uitbreiding van een manege met twee extra paardenboxen. De uitbreiding was in strijd met het omgevingsplan, omdat het maximale bebouwde oppervlak uit het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied Ede 2012’ al was overschreden. Daarnaast zouden de paardenboxen binnen 50 meter van een geurgevoelig object worden gerealiseerd, in strijd met artikel 22.101 van het omgevingsplan (bruidsschat).

De manegehouder beriep zich op de uitzondering voor een functionele binding uit artikel 22.93 van het omgevingsplan. Volgens hem gold de afstandseis niet, omdat de woning en de manege vroeger onderdeel waren van dezelfde inrichting. De rechtbank oordeelde echter dat voor een functionele binding de huidige feitelijke situatie bepalend is. Omdat de woning en de manege op afzonderlijke percelen liggen, verschillend worden gebruikt en geen organisatorische samenhang meer hebben, is van een functionele binding geen sprake.
Ook het beroep op de eerbiedigende werking uit artikel 22.102 van het omgevingsplan slaagde niet. Hoewel de bestaande afstand al vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet kleiner was dan 50 meter, maakt de aanvraag wel uitbreiding van de stalcapaciteit mogelijk. Daardoor kunnen extra paarden worden gehouden en neemt de geurbelasting toe.
De rechtbank bevestigt daarmee dat het college de vergunning mocht weigeren op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), omdat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (rechtbank Gelderland, 28 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3337)