ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1038. [Wederpartij] betoogt dat de opgelegde dwangsom te hoog is, omdat hij slechts voor de helft eigenaar is van de woning. Als al een dwangsom opgelegd mag worden, dan mag die niet hoger zijn dan € 6.450,00. De vader van [wederpartij] is voor de andere helft eigenaar van de woning en is ook belanghebbende.

Het college heeft toegelicht dat de hoogte van de opgelegde dwangsom, € 12.900,00, overeenkomt met de geschatte huuropbrengst van het kamergewijs verhuren van de woning voor de duur van zes maanden. In artikel 5:32b, derde lid Awb is bepaald dat het bedrag van de dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
In wat [wederpartij] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om te oordelen dat de opgelegde dwangsom van € 12.900,00 daarmee niet in overeenstemming is. De zwaarte van het geschonden belang is niet afhankelijk van de grootte van het eigendomsdeel van de woning van [wederpartij]. Verder bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde werking van de dwangsom beperkt is omdat [wederpartij] voor de helft eigenaar is. Hij is als feitelijk pleger van de overtreding aangemerkt in de last onder dwangsom. Als overtreder mag aan hem een dwangsom worden opgelegd. Dat de dwangsom niet hoger mag zijn dan € 6.450,00 volgt de Afdeling dan ook niet.