
De uitspraak Rechtbank Den Haag 12 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1764 betreft wederom een handhavingsgeschil op basis van de Wabo, maar waar o.g.v. de jurisprudentie toch moet worden vooruitgeblikt of onder de Omgevingswet nog sprake is van een overtreding. In dit geval was er onder de ten tijde v.h. nemen v.h. besluit geldende tekst van het Bbl voor het wijzigen v.d. draagconstructie geen bouwtechnische vergunning nodig.
Eisers hebben het college bij brief van 23 juli 2023 verzocht om handhavend op te treden. Met het besluit van 22 februari 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
De rb. beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van het handhavingsverzoek. Het handhavingsverzoek is ingediend op 23 juli 2023 en dus blijft de Wabo van toepassing. Uit rechtspraak volgt dat de werking van het overgangsrecht beperkter is als een gedraging onder oud recht wel een overtreding opleverde, maar niet of gedeeltelijk niet meer onder toepassing van het recht zoals dat geldt op het moment dat het besluit wordt genomen. Het bestuursorgaan kan de betrokkene vanwege de overtreding onder het oude recht dan niet langer gelasten de bewuste gedraging te beëindigen.
Het college betoogt dat voor een wijziging v.d. draagconstructie v.d. uitbouw gelet op de Ow en het Bbl geen vergunning voor een (technische) bouwactiviteit is vereist.
Voor de vraag of een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit (art. 5.1, lid 2, onder a Ow) is vereist voor een wijziging v.d. draagconstructie is art. 2.26 Bbl bepalend. Dit artikel voorzag ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten niet in een vergunningplicht voor een bouwactiviteit waarmee de draagconstructie wijzigt.
Omdat dit een onbedoelde versoepeling is ten opzichte van bijlage II Bor is met ingang van 1 januari 2025 art. 2.26, lid 1, onder c Bbl opgenomen (toegevoegd via het Verzamelbesluit Bbl 2024, Stb. 2024, 368). Op grond daarvan is voor een bouwactiviteit die voorziet in wijziging van de draagconstructie een omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit vereist.
Omdat ten tijde van het nemen van de besluiten het op dat moment geldende recht moest worden toegepast, heeft het college op goede gronden overwogen dat er geen vergunningplicht gold voor wijzigingen van de draagconstructie. Dit betekent dat, hoewel eisers in zoverre terecht hebben betoogd dat sprake is van wijzigingen v.d. draagconstructie, hier ten tijde van het besluit geen omgevingsvergunning voor was vereist.