De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft antwoorden gepubliceerd op Kamervragen over het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025. Daarin schetst zij hoe verschillende aanpassingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moeten zorgen voor meer duidelijkheid en voorspelbaarheid in het bouwproces — precies op een moment dat de druk op de woningmarkt hoog is en de vraag naar toegankelijk en duurzaam bouwen blijft groeien.

Een belangrijk onderdeel van het besluit is de introductie van de woonfuncties zorggeschikt en nultreden. Volgens de minister is het vastleggen van deze categorieën nodig om beter aan te sluiten op de woonzorgbehoefte van een vergrijzende samenleving. De nieuwe definities leggen niet zozeer strengere eisen op, maar verduidelijken bestaande praktijknormen, zodat gemeenten, corporaties en ontwikkelaars met dezelfde uitgangspunten werken. De minister benadrukt dat de eisen zijn gebaseerd op wat in de sector al gangbaar is en dat zij hierdoor juist moeten bijdragen aan standaardisatie, minder discussies bij vergunningverlening en uiteindelijk snellere realisatie van ouderenwoningen — een cruciaal onderdeel van het oplossen van het woningtekort.
In de Kamer leefden zorgen over de brandveiligheid van deze nieuwe woonfuncties, omdat bewoners vaker minder zelfredzaam zijn. De minister onderstreept dat de bestaande brandveiligheidseisen uit het Bbl onverkort blijven gelden en dat voor situaties waarin professionele zorg wordt geleverd automatisch de strengere voorschriften voor woonzorggebouwen van toepassing zijn. Lopend onderzoek van het NIPV moet bovendien in kaart brengen of aanvullende eisen voor toekomstige regelgeving nodig zijn.
Ook op het gebied van tijdelijke woningen probeert het Verzamelbesluit helderheid te creëren. De regels rondom verplaatsing bleken in de praktijk tot interpretatieverschillen te leiden, bijvoorbeeld over de vraag wanneer een woning in “ongewijzigde samenstelling” wordt verplaatst. Door deze begrippen nu preciezer vast te leggen, moeten verschillen tussen gemeenten worden verminderd. Dat is van belang omdat tijdelijke en verplaatsbare woningen in veel gemeenten worden ingezet om snel extra woonruimte te realiseren. De minister maakt duidelijk dat de bestaande opwaarderingsplicht — het moeten voldoen aan nieuwbouweisen na vijftien jaar op dezelfde plek — niet nieuw is, maar onderdeel van de systematiek van tijdelijke bouw. De actualisatie moet vooral voorkomen dat woningen met nieuwbouwkwaliteit alsnog dubbel getoetst worden wanneer ze van tijdelijk naar permanent gebruik overgaan.
Daarnaast bevat het Verzamelbesluit een nieuwe verplichting voor utiliteitsgebouwen om ruimte te bieden aan beschermde soorten zoals huismus, gierzwaluw en vleermuis. Door moderne bouwmethoden verdwijnen natuurlijke verblijfplaatsen steeds vaker; het opnemen van vaste voorzieningen in de gebouwschil moet dat tekort verminderen. De minister benadrukt dat gemeenten geen extra lokale eisen bovenop deze landelijke norm mogen stellen, om te voorkomen dat de regelgeving verder zou versnipperen. De verplichting geldt bewust alleen voor utiliteitsbouw en niet voor woningen, omdat dit anders zou schuren met andere rijksafspraken over woningbouwproductie.
De Kamer stelde ook kritische vragen over de nieuwe informatieplicht voor het aanbrengen van PUR‑schuim. Gemeenten vrezen extra administratieve lasten en bedrijven vrezen vertraging van verduurzamingsprojecten. De minister stelt dat juist is gekozen voor een lichte informatieplicht — geen meldings- of vergunningsplicht — om onnodige bureaucratie te voorkomen. Bedrijven mogen na het doorgeven van de informatie direct starten met hun werkzaamheden. Gemeenten worden bovendien financieel gecompenseerd voor het extra toezicht. Omdat 90 procent van de branche al vrijwillig gecertificeerd werkt, verwacht de minister dat de impact beperkt blijft.
De rode draad door de antwoorden is het streven naar landelijke eenduidigheid. Of het nu gaat om ouderenwoningen, tijdelijke huisvesting, natuurinclusief bouwen of de verwerking van PUR-schuim: de minister wil voorkomen dat ontwikkelaars, gemeenten en uitvoerders telkens opnieuw interpretatiestrijd voeren. Juist die strijd leidt in de praktijk tot vertraging, onzekerheid en oplopende kosten — zaken die de woningbouwopgave niet kunnen gebruiken. Het Verzamelbesluit moet daarom niet zozeer nieuwe belemmeringen creëren, maar duidelijker markeringen in het bestaande regelstelsel zetten, zodat de bouwsector sneller en consistenter kan werken.
