Tijdens het commissiedebat van 11 maart 2026 over de Staat van de Volkshuisvesting heeft de Tweede Kamer uitgebreid gesproken met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de hardnekkige woningnood en de rol van het omgevingsrecht bij het versnellen van woningbouw. In het debat werd opnieuw duidelijk hoe groot de druk op de woningmarkt is, met een tekort van ruim 400.000 woningen, lange wachttijden voor sociale huur en sterk gestegen prijzen in de koop- en huursector.

Veel Kamerleden benadrukten dat de oplossing niet alleen ligt in méér bouwen, maar ook in sneller bouwen. Daarbij kwamen procedures onder de Omgevingswet, de uitvoeringskracht bij gemeenten en de invloed van regelgeving zoals stikstof, netcongestie en bovenwettelijke lokale eisen nadrukkelijk aan bod. De minister gaf aan dat woningbouw in deze periode absolute prioriteit krijgt en dat besluiten steeds langs één centrale vraag worden gelegd: draagt dit bij aan het realiseren van meer woningen en een thuis voor woningzoekenden.
In het debat werd uitvoerig stilgestaan bij de spanning tussen nationale regie en lokale beleidsruimte. Gemeenten hebben onder de Omgevingswet meer mogelijkheden om woningbouw te faciliteren, bijvoorbeeld door activiteiten vergunningsvrij te maken of door in het omgevingsplan meer ruimte te bieden voor optoppen, splitsen en transformatie. Tegelijkertijd klonk vanuit de Kamer de oproep om bovenwettelijke eisen die woningbouw vertragen, strakker aan te pakken en te zorgen voor meer uniformiteit in bouweisen.
De minister kondigde aan dat het kabinet inzet op een brede versnelling via een taskforce woningbouw, waarin Rijk, medeoverheden en marktpartijen samenwerken. Ook wordt gewerkt aan een jaarlijkse vereenvoudigingswet om regels in het fysieke domein structureel te versimpelen. Binnen het omgevingsrecht blijft daarbij oog voor juridische houdbaarheid, onder meer bij het oplossen van het zogenoemde stikstofslot en bij het mogelijk maken van nieuwe grootschalige woningbouwlocaties.
Naast nieuwbouw werd veel aandacht besteed aan beter benutten van de bestaande voorraad. Transformatie van leegstaande kantoren, woningen boven winkels, het splitsen van grote woningen en het mogelijk maken van permanente bewoning van recreatiewoningen werden genoemd als kansrijke maatregelen om op korte termijn extra woonruimte toe te voegen. De invoering van de leegstandbelasting en het verder uitwerken van instrumenten voor gemeenten moeten dit beleid ondersteunen.
Tot slot kwam de betaalbaarheid van wonen uitgebreid aan bod. Kamerleden spraken over de financiële positie van woningcorporaties, de werking van de Wet betaalbare huur en het investeringsklimaat voor middenhuur en betaalbare koop. De minister gaf aan dat zij vooruitlopend op geplande evaluaties kijkt waar bijsturing nodig is, juist omdat het om urgente problemen gaat. Daarbij blijft de samenhang met het omgevingsrecht van belang, omdat regels over ruimte, milieu en procedures rechtstreeks van invloed zijn op de haalbaarheid en snelheid van woningbouw.
Het debat laat zien dat de Staat van de Volkshuisvesting onlosmakelijk is verbonden met de werking van de Omgevingswet. Hoe sneller procedures zijn, hoe duidelijker de regels en hoe groter de uitvoeringskracht, des te meer ruimte ontstaat om de woningnood daadwerkelijk terug te dringen.
