Een brede coalitie van 58 wethouders uit 47 gemeenten heeft scherpe zorgen geuit over de mogelijke gevolgen van de nieuwe ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting. Volgens hen dreigt een systeem waarbij gemeenten verplicht zouden worden om mensen te huisvesten die uitstromen uit instellingen binnen hun grenzen—zoals gevangenissen, vrouwenopvang of jeugdzorg. Dat zou vooral regio’s met grote bovenregionale voorzieningen hard raken, zeker in een tijd waarin het woningtekort gemeenten al zwaar belast.

Uit de beantwoording van Kamervragen door de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening blijkt echter dat deze lezing volgens het kabinet niet klopt. De minister stelt dat de regeling niet voorschrijft dat de regio waarin een instelling staat verantwoordelijk wordt voor de huisvesting van uitstromers. In plaats daarvan bepaalt de regeling uitsluitend in welke regio iemand urgentie kan aanvragen, op basis van zogeheten maatschappelijke binding. Die binding kan ontstaan door een woonverleden, door verblijf in een instelling, of door woonhistorie voorafgaand aan dat verblijf.
Volgens het ministerie is juist gekozen voor een bredere definitie van maatschappelijke binding om te voorkomen dat mensen na detentie of opvang “tussen wal en schip” vallen. De regeling moet woningzoekenden meerdere opties bieden, zodat zij urgentie kunnen aanvragen in de regio die het beste aansluit bij hun sociale netwerk of re-integratiebehoefte. De minister wijst daarbij ook op het bestaande Bestuurlijk Akkoord, waarin terugkeer naar de gemeente van herkomst de norm blijft—tenzij zwaarwegende redenen dat verhinderen.
Toch nemen de zorgen van gemeenten niet af. Regio’s met grote voorzieningen hanteren nu vaak al hogere toewijzingspercentages voor kwetsbare doelgroepen dan landelijk vereist. Zij vrezen dat een onjuiste toepassing van de nieuwe regeling hen extra zou belasten, met langere wachttijden voor andere urgent woningzoekenden tot gevolg. De minister erkent dat de huidige verdeling niet evenredig is, en dat sommige gemeenten nu een onevenredig groot deel van de opvang en huisvesting op zich nemen. Precies daarom moet de wet leiden tot een eerlijkere spreiding: alle gemeenten worden verplicht hun “fair share” te leveren.
De minister weerspreekt bovendien de suggestie dat sommige regio’s duizenden extra mensen zouden moeten opvangen. Zo zou in Noordoost‑Brabant, waar twee penitentiaire inrichtingen staan, volgens gemeenten meer dan 90 procent van de gedetineerden van buiten de regio komen. Maar op basis van gegevens van de Dienst Justitiële Inrichtingen blijkt dat slechts een kwart van de gedetineerden afkomstig is uit de regio zelf, en dat ongeveer 135 mensen in 2025 daadwerkelijk zijn uitgestroomd in die regio. Volgens de minister is er dan ook geen sprake van een verborgen verplichting om alle gedetineerden lokaal te huisvesten.
Tegelijkertijd toont de regering zich ontvankelijk voor de signalen. Over de afbakening van maatschappelijke binding is opnieuw overleg gevoerd met de VNG en de regeling is opnieuw in consultatie gebracht. Als uit de consultatie blijkt dat gemeenten toch worden geconfronteerd met ongewenste neveneffecten—zoals extra druk op krappe woningmarkten—dan overweegt de minister de regeling verder aan te passen.
De discussie raakt daarmee een fundamenteel spanningsveld in het huidige woonbeleid: hoe kwetsbare groepen recht te doen zonder lokale woningmarkten te overbelasten. Voor gemeenten blijft het cruciaal dat regelgeving niet alleen juridisch sluitend is, maar ook uitvoerbaar binnen een woningmarkt die onder voortdurende druk staat.
