Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting bevindt zich in een beslissende fase nu de behandeling is hervat in de Eerste Kamer. Naar aanleiding van de voortgangsbrief over dit wetsvoorstel en het bijbehorende ontwerpbesluit heeft de Eerste Kamer uitgebreide vragen gesteld, die recent door de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn beantwoord. De Kamervragen geven een goed beeld van de juridische en beleidsmatige spanningen rond betaalbaar bouwen, urgentiehuisvesting en de rolverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten.

In de beantwoording benadrukt de minister het belang van een voortvarende behandeling van het wetsvoorstel. Volgens het kabinet is versterking van de regie noodzakelijk om meer grip te krijgen op het oplossen van de wooncrisis. Nadat de Tweede Kamer op 24 maart 2026 heeft ingestemd met de novelle, kan de Eerste Kamer de inhoudelijke behandeling voortzetten. Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit geven overheden meer instrumenten om te sturen op aantallen, betaalbaarheid en spreiding van woningen.
Een belangrijk thema in de vragen vanuit de Eerste Kamer is betaalbaar bouwen en de juridische borging daarvan. Het ontwerpbesluit introduceert instandhoudingstermijnen voor betaalbare woningen, die kunnen oplopen tot 25 jaar voor sociale huurwoningen buiten de corporatiesector. Deze termijnen beperken eigenaren in de exploitatie van hun vastgoed en raken daarmee aan het eigendomsrecht. De minister stelt dat deze inbreuk gerechtvaardigd en proportioneel is in het licht van het publieke belang, mede gezien het woningtekort en de inzet van publieke middelen. Gemeenten kunnen de instandhouding afdwingen via het omgevingsplan, privaatrechtelijke afspraken of een combinatie daarvan, met handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom.
Daarnaast is uitvoerig ingegaan op de vraag hoe wordt gestuurd op de verdeling van woningtypen. Het ontwerpbesluit bevat instructieregels die beogen te zorgen voor meer balans tussen woningen voor lage en middeninkomens. Gemeenten met een relatief lage sociale huurvoorraad moeten minimaal 30% sociale huur realiseren, terwijl gemeenten met een bovengemiddeld aandeel sociale huur juist meer woningen voor middeninkomens moeten toevoegen. De minister onderstreept dat deze regionale benadering nodig is om segregatie tegen te gaan en om huishoudens met verschillende inkomens in alle gemeenten kansen te bieden. Een harde verplichting voor iedere afzonderlijke gemeente acht hij onwenselijk, omdat dit de financiële uitvoerbaarheid van woningbouwprojecten kan schaden.
Een ander centraal onderwerp betreft de uitbreiding en toepassing van urgentieregelingen, met name voor dakloze gezinnen met minderjarige kinderen. De Kamervragen gaan in op de voorwaarden om in aanmerking te komen voor urgentie en op de spanning tussen uniformiteit en gemeentelijke beoordelingsruimte. De minister licht toe dat de voorwaarden zijn gebaseerd op de ETHOS-light definities van dakloosheid en dat het belang van het kind zwaar weegt. Tegelijkertijd blijft een zekere mate van beoordelingsruimte voor gemeenten onvermijdelijk. Om willekeur te beperken, wordt gewerkt aan verduidelijkingen in de regeling, voorbeelden in de toelichting en ondersteunende handreikingen voor gemeenten.
Ook de uitvoeringslasten voor gemeenten komen aan bod. De minister erkent dat nieuwe rapportage- en monitoringsverplichtingen extra druk kunnen leggen op met name kleinere gemeenten. Daarom is in het ontwerpbesluit vastgelegd dat het Rijk verantwoordelijk is voor een groot deel van de gegevensverzameling over woningbehoefte en woningbouwopgaven. Gemeenten worden bovendien financieel gecompenseerd voor nieuwe taken die voortvloeien uit het wetsvoorstel en de lagere regelgeving.
Tot slot benadrukt de minister dat het wetsvoorstel niet alleen gericht is op het bouwen van meer woningen, maar ook op een evenwichtige spreiding van betaalbare woningen binnen regio’s en gemeenten. Provincies krijgen hierin een belangrijke rol via de omgevingsverordening, waarin woningbouwregio’s worden vastgesteld in afstemming met gemeenten. De Kamervragen maken duidelijk dat de versterkte regierol van de overheid diep ingrijpt in bestaande verantwoordelijkheden, maar volgens het kabinet noodzakelijk is om de woningbouwopgave in samenhang, juridisch houdbaar en sociaal evenwichtig aan te pakken.
