De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft de Eerste Kamer op 16 maart 2026 uitgebreid geïnformeerd over het ontwerp‑Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw). In een aanbiedingsbrief maakte zij duidelijk dat de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen van de BBB‑fractie nu is afgerond en ter behandeling kan worden aangeboden. De vragen maken deel uit van de voorhangprocedure die hoort bij de uitwerking van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw), waarmee gemeenten meer bevoegdheden krijgen om wijken stap voor stap van het aardgas af te halen.

Uit de bijlagen blijkt dat de minister de vertraging in de beantwoording onder meer wijt aan drukke parlementaire agenda’s, waaronder een tweeminutendebat in de Tweede Kamer en de daaropvolgende stemmingen, in combinatie met de kabinetswisseling. Die vertraging maakt de tijdslijn richting de voorziene inwerkingtreding van de Wgiw en het Bgiw — oorspronkelijk gepland op 1 juli 2026 — krapper dan gehoopt. Als de Raad van State meer tijd nodig heeft voor advies, zal de invoering mogelijk moeten doorschuiven naar een later uniform inwerkingtredingsmoment. Volgens het ministerie leidt dat niet tot grote problemen, maar is het wel van belang dat de besluitvorming voortvarend verdergaat.
Een belangrijk deel van de vragen uit de Eerste Kamer ging over de positie van plattelandsgemeenten. De BBB wilde weten in hoeverre het nieuwe besluit ook uitvoerbaar is voor gemeenten met minder capaciteit en een sterk versnipperde bebouwing. De minister benadrukt dat zij deze zorgen deelt en wijst erop dat de uitvoerbaarheid voor landelijk gelegen gemeenten expliciet onderdeel wordt van de wettelijke evaluatie vijf jaar na inwerkingtreding. Die evaluatie zal worden gebaseerd op inzichten uit de praktijk, onder meer via de jaarlijkse monitor van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW), waarin ook de voortgang in landelijke gebieden wordt bijgehouden. Daarmee moet inzichtelijk worden hoe verschillende typen gemeenten omgaan met de aanwijsbevoegdheid en wat dat betekent voor inwoners.
De betaalbaarheid voor bewoners vormt een tweede terugkerend thema in de beantwoording. Het Bgiw bevat instructieregels die moeten voorkomen dat inwoners financieel worden overvraagd. Zo moeten de kosten van een gemeentelijke aanpak voor het overgrote deel van de wijk opwegen tegen de baten. De minister licht toe dat gekozen is voor een ondergrens van 70 procent, omdat een harde norm van 100 procent ertoe zou kunnen leiden dat een anderszins verstandige warmtetransitie onuitvoerbaar wordt door enkele uitzonderingssituaties, bijvoorbeeld woningen die technisch of financieel afwijken van de rest. Gemeenten blijven wel verplicht om specifiek aandacht te besteden aan kwetsbare huishoudens en aan de ontwikkeling van maandlasten voor en na de overstap.
De BBB-fractie vroeg daarnaast hoe de overheid voorkomt dat huishoudens in de schulden raken bij financiering van verduurzamingsmaatregelen. Volgens de minister bestaan hiervoor al waarborgen via de leennormen in de Tijdelijke regeling hypothecair krediet. Ook wees zij op beschikbare leningen met lage rente of zonder aflossingsverplichting via het Warmtefonds, bedoeld voor huishoudens zonder leenruimte. Gemeenten worden gestimuleerd om inwoners te informeren over deze mogelijkheden. Monitoring via het Bgiw moet helpen om problemen vroegtijdig te signaleren.
Opvallend veel aandacht ging ook uit naar de energieprestatie‑eis van maximaal 0,7 voor een individueel alternatief (de zogenoemde opt‑out). Critici vrezen dat deze norm alternatieve technieken, zoals elektrische cv‑ketels, onmogelijk maakt. Volgens de minister is de grens echter vooral bedoeld om duidelijkheid te scheppen: woningeigenaren hoeven geen complexe berekeningen meer te laten uitvoeren om aan te tonen dat hun gekozen systeem gelijkwaardig is aan het gemeentelijke alternatief. De meeste moderne warmtepompen voldoen volgens haar ruimschoots aan de gestelde eis. Aanpassing van de grenswaarde ziet het kabinet op dit moment dan ook niet als wenselijk.
Ten slotte maakte de minister bekend dat de deadline voor het eerste warmteprogramma wordt verschoven naar 31 december 2027. Door de verwachte latere inwerkingtreding krijgen gemeenten zo meer tijd om een zorgvuldige onderbouwing te maken en bewoners goed te betrekken. Voor vooruitlopende gemeenten komt een overgangsbepaling beschikbaar waarmee een warmteprogramma al vóór inwerkingtreding kan worden vastgesteld, zodat zij sneller duidelijkheid kunnen bieden aan inwoners en warmtebedrijven.
Met de beantwoording van de Kamervragen is een belangrijke stap gezet in het verdere traject richting definitieve vaststelling van het Bgiw. De bal ligt nu opnieuw bij de Eerste Kamer, die moet bepalen of zij het ontwerpbesluit verder wil behandelen of de voorhangprocedure kan afronden. Daarna volgt advies van de Raad van State en uiteindelijk vaststelling van de regeling die gemeenten het juridische instrumentarium geeft om de warmtetransitie daadwerkelijk wijk voor wijk uit te voeren.
