Op 13 maart 2026 heeft de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de Tweede Kamer de antwoorden aangeboden op het schriftelijk overleg over het ontwerp‑Besluit versterking regie volkshuisvesting. Dit omvangrijke ontwerpbesluit beoogt de regie op de volkshuisvesting structureel te versterken door wijzigingen in meerdere besluiten onder de Omgevingswet, waaronder het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Omgevingsbesluit en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015.

Centraal in het ontwerpbesluit staan de nieuwe landelijke en regionale wettelijke doelstellingen: twee derde betaalbare woningen, waarvan minimaal 30% sociale huur binnen iedere woningbouwregio. Deze percentages worden juridisch verankerd en vormen het sturingskader voor gemeenten en provincies. Daarmee wordt de huidige praktijk, waarin afspraken veelal via woondeals worden gemaakt, overgezet naar een bindend stelsel onder de Omgevingswet.
Gemeenten worden daarbij niet vrijgelaten. Zij moeten evenredig bijdragen aan de regionale programmering. De bijdrage is afhankelijk van de verhouding tussen de gemeentelijke voorraad sociale huurwoningen en het landelijk gemiddelde.
Gemeenten onder het gemiddelde moeten gedurende tien jaar minimaal 30% sociale huur realiseren.
Gemeenten boven het gemiddelde moeten minstens 40% middenhuur en betaalbare koop programmeren.
Dit moet leiden tot meer balans in regionale woningvoorraden.
De minister benadrukt dat het landelijk gemiddelde geen doel op zichzelf is, maar een instrument om schommelingen in de lokale voorraad te corrigeren en een evenwichtige spreiding van betaalbare woningen te realiseren.
In het ontwerpbesluit is voorzien dat gemeenten binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet regionale afspraken moeten maken over de verdeling van de betaalbaarheidsopgave. Blijft besluitvorming uit, dan voorziet het besluit in doorzettingsmacht:
De provincie kan ingrijpen via instructieregels of een instructiebesluit op het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma (art. 2.33 en 2.34 Omgevingswet).
Indien ook dat onvoldoende is, kan de minister zelf een instructie geven.
De minister onderbouwt dat deze bevoegdheden noodzakelijk zijn om te voorkomen dat regionale afstemming te traag verloopt en de woningbouwopgave stagneert. De procedurele waarborgen van proportionaliteit, subsidiariteit en ruimtelijke aanvaardbaarheid blijven daarbij onverkort van toepassing.
Het Rijk past financiële instrumenten toe om landelijke en regionale doelen te ondersteunen. In het kader van de Realisatiestimulans betaalbare woningen kan een gemeente tot 33% minder rijksbijdrage ontvangen wanneer de eigen programmering leidt tot een evidente overschrijding van de nationale of regionale betaalbaarheidsdoelstellingen. Dit geldt specifiek wanneer gemeenten bovenmatige betaalbaarheidseisen opleggen die de financiële uitvoerbaarheid van projecten onder druk zetten.
Gemeenten mogen noodzakelijkerwijs meer dan twee derde betaalbaar bouwen wanneer de regionale opgave dat vraagt, maar worden ontmoedigd om zonder noodzaak verdergaande eisen te stellen.
Het ontwerpbesluit brengt technische wijzigingen aan in de instandhoudingstermijnen voor betaalbare woningcategorieën:
Sociale huur (niet‑corporaties): minimaal 25 jaar.
Middenhuur: minimaal 10 jaar, gelijk aan het huidige recht.
Betaalbare koop: termijn verschuift naar start bij het sluiten van de koopovereenkomst, zodat deze aansluit op fiscale voorwaarden voor hypotheekrenteaftrek en eigendom.
Het proportionaliteitsbeginsel onder het EVRM speelt een grote rol: hoe langer de termijn, hoe groter de beperking van het eigendomsrecht. Daarom verschillen termijnen tussen categorieën.
Het ontwerpbesluit verplicht gemeenten om in hun volkshuisvestingsprogramma de woonbehoefte van aandachtsgroepen expliciet te maken, zoals starters, ouderen en economisch daklozen. De minister verduidelijkt dat economisch daklozen onder de wettelijke aandachtsgroepen vallen voor zover zij dreigen dakloos te worden.
Ook wordt geborgd dat woningzoekenden die uitstroom uit instellingen doorgaans kunnen terugkeren naar hun regio van herkomst, tenzij zwaarwegende redenen – zoals veiligheid – dit onmogelijk maken. Zo wordt voorkomen dat enkele gemeenten met veel zorginstellingen onevenredig belast raken.
Het ontwerpbesluit verruimt de regels voor vergunningsvrije mantelzorg- en familiewoningen, maar beperkt deze tot het achtererfgebied, overeenkomstig de systematiek van het oude Besluit omgevingsrecht. Plaatsing op een zij‑erf is mogelijk wanneer het feitelijk achter de voorgevelrooilijn ligt. Deze verduidelijking bevordert uniformiteit en rechtszekerheid.
Gemeenten behouden hun handhavingsbevoegdheden. Zodra de mantelzorg- of familierelatie eindigt, vervalt de vergunningvrije situatie en kan opgetreden worden wanneer de situatie niet wordt gelegaliseerd of beëindigd.
Daarnaast kan een dergelijke woning een eigen adres (BAG‑nummeraanduiding) krijgen wanneer deze voldoet aan de eisen voor een zelfstandige eenheid—met gevolgen voor WOZ, belastingen en uitkeringen.
De minister wijst op de versnelde behandeling van woningbouwzaken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sinds 2024. Inmiddels zijn ruim 415 projecten met voorrang behandeld, goed voor circa 86.650 woningen. Hoewel de doorlooptijden fors zijn verkort, blijft personele capaciteit een bestuurlijke kwetsbaarheid.
Het ontwerp‑Besluit Versterking Regie Volkshuisvesting vormt een belangrijke stap in de verdere operationalisering van de instrumenten van de Omgevingswet. De minister kiest duidelijk voor een strakker juridisch kader met:
bindende regionale doelstellingen,
interventiebevoegdheden voor provincies en Rijk,
heldere definities en instandhoudingstermijnen,
en een versterkte wettelijke basis voor urgentiecategorieën en aandachtsgroepen.
Tegelijkertijd blijft er ruimte voor lokaal maatwerk, met name via het omgevingsplan en het volkshuisvestingsprogramma. Daarmee probeert het ontwerpbesluit het spanningsveld te verkleinen tussen landelijke doelstellingen en lokale uitvoerbaarheid, zonder af te doen aan de noodzakelijke versnelling van de woningbouw.
