Het kabinet heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken rond bodem en ondergrond, waarbij vooral de verlenging van het overgangsrecht voor diepe plassen en de voortgang in de PFAS-aanpak in het oog springen. De maatregelen moeten zorgen voor meer duidelijkheid in de vergunningverlening en een zorgvuldige omgang met bodemverontreiniging, maar illustreren tegelijk de complexiteit van de huidige opgaven binnen het omgevingsrecht.

Een belangrijk onderdeel van de Kamerbrief is de keuze om het overgangsrecht voor verondieping van diepe plassen met drie jaar te verlengen. Deze verondiepingen, waarbij plassen worden opgevuld met grond of baggerspecie om bijvoorbeeld natuur- of recreatiedoelen te realiseren, kennen een lange looptijd van gemiddeld tien jaar en vereisen een uitgebreid vergunningtraject. Sinds 1 januari 2024 geldt een nieuwe vergunningplicht, inclusief een toets aan de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn. Omdat de benodigde toetsingsmethodiek nog in ontwikkeling is, zou het zonder verlenging voor initiatiefnemers feitelijk onmogelijk zijn tijdig aan de nieuwe eisen te voldoen.
Met de verlenging krijgen lopende projecten extra tijd om hun vergunningen aan te vragen en af te ronden, zonder dat zij vastlopen in een systeem dat nog niet volledig operationeel is. Tegelijkertijd wordt erkend dat deze keuze spanning oproept met de Europese waterkwaliteitsdoelen. Zolang de beoordelingsmethodiek ontbreekt, is immers niet volledig zeker of alle projecten uiteindelijk aan de vereisten zullen voldoen. In de tussentijd blijven bevoegde gezagen verantwoordelijk voor toezicht en kunnen zij waar nodig ingrijpen op basis van bestaande vergunningen en doelstellingen.
De beleidsaanpassing moet ook voorkomen dat projecten stilvallen met mogelijk ingrijpende juridische en praktische gevolgen. Wanneer een verondieping niet kan worden afgerond en niet voldoet aan de geldende eisen, kan deze in het uiterste geval als stortplaats worden aangemerkt. Dat brengt aanzienlijk strengere regels met zich mee en kan leiden tot capaciteitsproblemen elders, bijvoorbeeld door een toename van baggerspecie richting rijksdepots.
Naast de problematiek rond diepe plassen besteedt de Kamerbrief uitgebreid aandacht aan de aanpak van PFAS-verontreiniging. Uit een landelijke inventarisatie blijkt dat inmiddels 3917 potentieel verontreinigde locaties in beeld zijn gebracht. Deze locaties zijn geïdentificeerd op basis van historisch onderzoek en gegevens over bodembedreigende activiteiten, maar vereisen nog aanvullend bodemonderzoek om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van risico’s.
Van deze grote groep zijn tot nu toe 57 locaties aangemerkt als PFAS-aandachtlocatie. Dit zijn plekken waar daadwerkelijk hoge concentraties PFAS zijn vastgesteld en waar sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Op een deel van deze locaties is de sanering inmiddels gestart of zelfs afgerond, maar in veel gevallen moet de aanpak nog beginnen.
De cijfers illustreren dat de PFAS-opgave zich nog in een vroege fase bevindt. Het aantal geïdentificeerde locaties zal naar verwachting verder toenemen naarmate meer inventarisaties worden afgerond. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat het aantal potentiële locaties op zichzelf weinig zegt over de daadwerkelijke risico’s, omdat pas na nader onderzoek duidelijk wordt of ingrijpen noodzakelijk is.
Om de aanpak te structureren wordt toegewerkt naar een programmatische benadering, met als doel om rond 2028 een scherper beeld te hebben van de omvang en kosten van de saneringsopgave en om uiterlijk 2030 de inventarisatie af te ronden. In de tussentijd wordt prioriteit gegeven aan locaties waar sprake is van gevoelige functies, zoals drinkwatergebieden, of waar de kans op ernstige verontreiniging groot is.
De ontwikkelingen rond diepe plassen en PFAS laten zien dat het omgevingsrecht in toenemende mate wordt geconfronteerd met situaties waarin regelgeving, wetenschap en uitvoeringspraktijk niet synchroon lopen. Enerzijds is sprake van aangescherpte normen en grotere maatschappelijke aandacht voor milieukwaliteit, anderzijds blijkt de implementatie daarvan weerbarstig. Met tijdelijke oplossingen zoals het verlengen van overgangsrecht probeert het kabinet de continuïteit van projecten te waarborgen, terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan structurele verbeteringen in het beoordelingskader en de handhaving.
