De rijksoverheid heeft uitgebreide antwoorden gepubliceerd op Kamervragen over de meerjarenplannen voor digitale informatiehuishouding en openbaarheid (2026–2030) en het herijkte Actieplan Open Overheid. Daarmee reageert het ministerie van Binnenlandse Zaken op vragen van de fracties van BBB en PVV, die vooral ingingen op de uitvoerbaarheid van de Wet open overheid (Woo), de rol van koepelorganisaties en de toenemende druk op decentrale overheden.

In de beantwoording schetst de staatssecretaris een beeld van een stelsel dat nog volop in ontwikkeling is, maar waarin de basis volgens het Rijk op orde is. De Woo zou volgens hem steeds beter uitvoerbaar worden, mede doordat er de afgelopen jaren is geïnvesteerd in informatiebeheer, technische voorzieningen en ondersteuning van bestuursorganen. Tegelijkertijd erkent hij dat veel gemeenten, provincies en waterschappen in de praktijk worstelen met achterstanden, toenemende verzoeken en beperkte capaciteit.
Een belangrijk discussiepunt is de actieve openbaarmaking. Die wordt de komende jaren verder uitgebreid, maar de diversiteit aan systemen bij medeoverheden maakt de implementatie complex. Het ministerie wijst erop dat de gekozen API‑architectuur juist bedoeld is om bestaande systemen te kunnen blijven gebruiken, zonder dat organisaties hun volledige informatievoorziening hoeven te vernieuwen. Toch blijft een volledig kostenbeeld ontbreken; daarom wordt vanaf 2026 gemonitord wat actieve openbaarmaking daadwerkelijk kost. Dat leidt bij met name kleinere gemeenten tot zorgen, omdat zij aangeven dat hun beschikbare middelen nu al onder druk staan.
Ook de afhandeling van Woo‑verzoeken komt uitgebreid aan bod. Het Rijk benadrukt dat er in 2025 voor het eerst sprake was van een duidelijke verbetering, met kortere doorlooptijden en minder dwangsommen. Gemeenten doen het volgens VNG‑monitoring gemiddeld aanzienlijk beter dan het Rijk, maar ook daar speelt werkdruk een grote rol. Daarom wordt ingezet op een geoptimaliseerd Woo‑proces, ondersteuning van Woo‑contactpersonen, en in sommige gevallen op het gebruik van AI‑toepassingen om repeterende handelingen te versnellen. Volgens de staatssecretaris blijft de inhoudelijke beoordeling echter altijd mensenwerk.
De PVV richtte haar vragen vooral op de rol van VNG, IPO en UvW. Die organisaties zouden volgens de fractie geen democratische legitimatie hebben om namens afzonderlijke decentrale overheden op te treden. Het Rijk verwerpt deze kritiek en wijst erop dat dergelijke verenigingen al decennialang door gemeenten, provincies en waterschappen worden gebruikt om beleidsafstemming te organiseren. Hun inbreng zou bovendien geen afbreuk doen aan lokale autonomie, omdat bestuurders altijd zelf verantwoordelijk blijven voor hun keuzes en verantwoording afleggen aan hun eigen raden en staten.
Een andere discussie betreft het concept ‘betekenisvolle openbaarmaking’. Dat begrip speelt een groeiende rol in het openbaarheidsbeleid en houdt in dat informatie niet alleen beschikbaar moet zijn, maar ook begrijpelijk en bruikbaar moet worden aangeboden. De PVV vraagt zich af of dit geen ongewenste beperking van het recht op toegang tot overheidsinformatie betekent. De staatssecretaris ziet dat anders en benadrukt dat het recht op informatie uit de Woo onverminderd blijft bestaan. Betekenisvolle openbaarmaking zou vooral richting geven aan de inspanningsverplichting om informatie proactief openbaar te maken, in een tijd waarin de hoeveelheid beschikbare data snel groeit.
Ook op het vlak van archivering liggen grote veranderingen in het verschiet. De nieuwe Archiefwet verkort de overbrengingstermijn van twintig naar tien jaar. Volgens het Rijk wordt die wijziging echter niet met terugwerkende kracht ingevoerd, waardoor organisaties de tijd krijgen om achterstanden weg te werken. Gemeenten en waterschappen vrezen dat dit opnieuw grote druk op hun informatiebeheer zet, maar het ministerie ziet de verkorting juist als kans om de archieflast structureel te verminderen.
Verder komen digitale soevereiniteit, open data en het algoritmeregister aan bod. De overheid wil minder afhankelijk zijn van grote buitenlandse leveranciers en streeft naar voorzieningen die onder Nederlandse of Europese rechtsmacht vallen. Het bestaande algoritmeregister moet meer transparantie bieden, al ziet het Rijk op dit moment geen noodzaak om registratie wettelijk verplicht te stellen.
Met de antwoorden onderstreept het ministerie dat openbaarheid, goede informatiehuishouding en transparantie als fundamenten van de democratische rechtsstaat worden gezien. Maar voor veel decentrale overheden blijft de vraag vooral hoe deze ambities uitvoerbaar blijven binnen bestaande budgetten en beperkte personele capaciteit. De komende jaren moeten uitwijzen of de geplande monitoring, ondersteuning en technische infrastructuur voldoende zijn om de groeiende verwachtingen rond de Woo waar te maken.
