De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 13 april 2026 de nota naar aanleiding van het verslag en een nota van wijziging aangeboden aan de Tweede Kamer over het wetsvoorstel tot wijziging van de Huisvestingswet 2014. Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de Europese verordening over het verzamelen en delen van gegevens over kortetermijnverhuur, die op 20 mei 2026 in werking treedt. Het wetsvoorstel raakt direct aan het omgevingsrecht, omdat gemeenten via deze regeling nadrukkelijker kunnen sturen op het gebruik van woonruimte en de leefbaarheid van wijken.

Het wetsvoorstel moet gemeenten beter in staat stellen om toezicht te houden op toeristische verhuur van woningen via online platforms. Door de groei van kortetermijnverhuur, vooral in steden maar ook in bepaalde buitengebieden, is volgens de regering de druk op de woningvoorraad en de woonomgeving toegenomen. De Europese verordening verplicht lidstaten daarom een nationaal systeem in te richten waarin gegevens van verhuurplatforms centraal worden verzameld en gedeeld. Nederland kiest ervoor dit te doen via een centraal digitaal toegangspunt dat door het Rijk wordt beheerd.
Gemeenten die in hun huisvestingsverordening regels hebben gesteld over toeristische verhuur kunnen via dit toegangspunt gegevens opvragen over het daadwerkelijk gebruik van woningen voor kortetermijnverhuur. Het gaat daarbij onder meer om het aantal verhuurde nachten en het aantal gasten. Deze informatie kan worden gebruikt voor handhaving van lokale regels, zoals een maximum aantal verhuurdagen, een meldplicht of een vergunningsstelsel. Daarnaast mogen gemeenten de gegevens inzetten voor toezicht op voorschriften die op grond van de Omgevingswet zijn gesteld, bijvoorbeeld op het gebied van brandveiligheid, gezondheid en bruikbaarheid van woonruimte. Ook kan de informatie worden gebruikt voor de heffing en invordering van toeristenbelasting.
In de nota naar aanleiding van het verslag reageert de minister uitgebreid op zorgen van Kamerleden over uitvoerbaarheid, privacy en administratieve lasten. De regering benadrukt dat de dataverzameling grotendeels voortvloeit uit de Europese verordening en dat hiervoor nationaal weinig beleidsruimte bestaat. Tegelijkertijd wordt gesteld dat het nieuwe systeem juist leidt tot lastenverlichting voor gemeenten, omdat zij niet langer afhankelijk zijn van handmatige en vaak onvolledige gegevensverzameling. Door gestandaardiseerde datadeling via één digitaal punt zouden toezicht en handhaving efficiënter kunnen plaatsvinden.
Ook wordt ingegaan op de relatie met het omgevingsrechtelijke kader. De regering onderstreept dat het wetsvoorstel geen nieuwe bevoegdheden creëert om ruimtelijke keuzes af te dwingen, maar dat het gemeenten wel beter in staat stelt om bestaand lokaal beleid daadwerkelijk te handhaven. De afweging of en hoe toeristische verhuur wordt gereguleerd blijft bij de gemeenteraad en moet worden onderbouwd vanuit schaarste aan woonruimte of het belang van leefbaarheid, zoals ook onder de huidige Huisvestingswet het geval is.
In de nota van wijziging zijn enkele technische en inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd. Zo zijn onjuiste verwijzingen naar de Europese verordening hersteld en is verduidelijkt dat het Centraal Bureau voor de Statistiek de verzamelde gegevens doorlevert aan Eurostat, conform de gebruikelijke Europese statistische werkwijze. Daarnaast bevat de nota van wijziging een belangrijke aanpassing aan de inwerkingtredingsregeling. Omdat het mogelijk is dat het wetsvoorstel niet vóór 20 mei 2026 wordt aangenomen, terwijl de Europese verordening dan al geldt, wordt het mogelijk gemaakt om onderdelen van de wet met terugwerkende kracht in werking te laten treden. Dit voorkomt dat gegevens die platforms vanaf die datum moeten aanleveren tijdelijk niet kunnen worden benut voor toezicht en handhaving door gemeenten.
Voor de omgevingsrechtelijke praktijk betekent dit wetsvoorstel dat gemeenten een sterker informatie-instrument krijgen om het feitelijk gebruik van woonruimte te volgen en te koppelen aan lokale regelgeving over wonen, veiligheid en leefbaarheid. Tegelijk blijft het een keuze van gemeenten of zij deze instrumenten inzetten, en moeten zij zelf de afweging maken tussen de inzet van capaciteit en de gewenste sturing op toeristische verhuur. De verdere parlementaire behandeling zal moeten uitwijzen in hoeverre de Kamer voldoende vertrouwen heeft in de uitvoerbaarheid van het systeem en de balans tussen Europese verplichtingen en lokale beleidsvrijheid.
