Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Soms zijn tijdens de besluitvormingsprocedure, die voorafgaat aan het vaststellen van een handhavingsbesluit, de standpunten van zowel de belanghebbende als het bestuursorgaan zó uitgebreid uitgewisseld, dat het inhoudelijk eigenlijk geen meerwaarde meer heeft om de bezwaarschriftenprocedure volledig te voeren. Die zou dan namelijk neerkomen op een pure herhaling van zetten. In die situatie is het mogelijk om reeds in het bezwaarschrift een verzoek te doen tot rechtstreeks beroep (ook wel ‘prorogatie’ genoemd; artikel 7.1a Awb). Later dan in het bezwaarschrift kan het verzoek niet gedaan worden. Het bestuursorgaan kan er niét om vragen, de indiener van het bezwaarschrift is de enige die erom kan vragen. Noodzakelijk is dan dat bestuursorgaan en belanghebbende het erover eens zijn dat ze het oneens zijn én dat ze het eens zijn over de punten die hen verdeeld houden. Bovendien moet het bestuursorgaan bij de beslissing rekening houden met andere bezwaarmakers. Gevallen waarin nog onvoldoende onderzoek is gedaan naar de feiten, zijn niet geschikt voor deze aanpak. Het bestuursorgaan is niet verplicht om in te stemmen met het verzoek, maar moet wel zo spoedig mogelijk beslissen. Bij instemming zendt het bestuursorgaan het bezwaarschrift onverwijld door naar de rechter. Ook de rechter kan nog beslissen dat de zaak niet geschikt is voor rechtstreeks beroep, in dat geval zendt hij de zaak terug naar het bestuursorgaan (artikel 8:54 Awb).

(Alleen) tijdens de beroepsprocedure is er nog een andere manier waarop de benodigde proceduretijd verkort kan worden: die heet ‘kortsluiting’ (artikel 8:86 Awb). In dat geval doet de voorzieningenrechter niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook in de hoofdzaak (bodemgeschil). Dat is het geval als er gevraagd is om een voorlopige voorziening naast het beroepschrift, waarbij nader onderzoek “redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak”. Verder moet er een zitting worden gehouden.