In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht is de relativiteiteis vastgelegd. Dat vereiste brengt mee dat normschending niet tot vernietiging van een besluit door de bestuursrechter leidt, wanneer de geschonden norm niet strekt ter bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. In de rechtspraak over ruimtelijke besluiten is de toepassing van deze eis vaak aan de orde. Daarbij wordt beoordeeld wat het daadwerkelijke belang is waarvan degene die zich op een normschending beroept bescherming zoekt.

In artikel
8:69a
van de Algemene wet bestuursrecht is de relativiteiteis vastgelegd. Dat vereiste brengt mee dat normschending niet tot vernietiging van een besluit door de bestuursrechter leidt, wanneer de geschonden norm niet strekt ter bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. In de rechtspraak over ruimtelijke besluiten is de toepassing van deze eis vaak aan de orde. Daarbij wordt beoordeeld wat het daadwerkelijke belang is waarvan degene die zich op een normschending beroept bescherming zoekt.
Voor normen die op het eerste gezicht een algemeen belang dienen, zoals bescherming van diersoorten, wordt bijvoorbeeld niet uitgesloten dat deze ook het belang van een omwonende bij behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving beschermen. Daarvoor is dan wel een
voldoende direct verband
nodig tussen de kwaliteit van de directe leefomgeving en de te beschermen diersoorten. Een bedrijf dat bescherming zoekt van bedrijfseconomische belangen, zoals uitbreidingsmogelijkheden, ontleent echter
geen bescherming
aan die normen.
Recent deed de Afdeling bestuursrechtspraak een
uitspraak
over de relativiteitseis in relatie tot de verplichting een milieueffectrapportage op te stellen. Twee appellanten, een omwonende en een stichting die behoud van cultuurhistorische waarden nastreeft, keerden zich tegen uitbreiding van agrarische bestemmingen en brachten naar voren dat daarvoor ten onrechte geen plan-MER was opgesteld. De gemeenteraad verweerde zich met de stelling dat de verplichting een plan-MER op te stellen alleen strekt tot bescherming van het milieu en niet tot bescherming van de belangen van individuele omwonenden. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat betoog niet. Zij stelt vast dat de omwonende belang heeft bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat en dat de stichting blijkens haar statuten behoud van cultuurhistorische waarden in de gemeente Bergen nastreeft. Deze belangen worden beschermd door de verplichting een plan-MER op te stellen, omdat in een plan-MER onder meer de mogelijke effecten voor mensen en cultuurhistorische waarden dienen te worden beschreven. De beroepen van deze appellanten leiden daarom tot gedeeltelijke vernietiging van het vaststellingsbesluit.
Gerelateerde info:
Andere samenvattingen van de uitspraak:
Relativiteit en MER, Samenwerkende Advocaten Omgevingsrecht
Relativiteitsvereiste: ontbreken plan-MER ex artikel 7.2, tweede lid Wm en het bedrijfsbelang en het beschermingsbereik Nbw 1998, Renske van Dreumel-Wingens, Hekkelman Advocaten