Er is een nieuw kabinet op komst en het funderende Jetten/Bontenbal-akkoord wordt alom geroemd: in 17 pagina’s, in twee weken tijd opgesteld, leggen CDA en D66 de basis voor een kabinet van de toekomst. Er is vooral veel hoop over het woningbouwprogramma. Hallelujah-gezang klinkt van alle kanten.

Ten onrechte. Het is een gevaarlijk document. Zonder enige garantie op succes wordt er gezaagd aan de poten van de lokale democratie – het wordt gemeenten verboden om ambitieus beleid te voeren op het gebied van energie, bouwen en biodiversiteit. Bovendien worden de juridische rechten van gewone inwoners opzij gezet. De bouwondernemers staan als de winnaars aan de zijlijn: kennelijk is er een gure wind uit Washington overgewaaid.
Sinds twee jaar is voor het bouwen en inrichten van Nederland de Omgevingswet van kracht. Dat is in potentie een revolutionaire wet die nog nauwelijks wordt toegepast. Hij vervangt de Woningwet en nog 25 andere wetten in een geslaagde poging om te snoeien in het dichte woud van regels die elkaar vaak tegenspraken. Gemeenten hebben nog vijf jaar de tijd om de oude manier van werken en het oude beleid om te bouwen in het nieuwe systeem. Dat is een ingewikkelde opdracht en gemeenten zijn er nog nauwelijks mee begonnen – onder andere door gebrek aan steun van het rijk.
De oude Woningwet werd in 1901 ingevoerd als instrument van volksgezondheid: krotten konden onbewoonbaar worden verklaard en gemeenten moesten in hun bouwverordeningen en bestemmingsplannen eisen stellen waar gebouwen minimaal aan moesten voldoen. Voor de veiligheid, voor de gezondheid en voor de kwaliteit van het wonen. In de praktijk van het bouwen zijn die minimum-eisen in feite de standaard geworden.
De Omgevingswet van 2024 is revolutionair, omdat hij zich niet langer richt op het weren van wat onacceptabel slecht is, maar op het stimuleren van wat goed is. De wet bevordert gezondheid, veiligheid en goede kwaliteit van de leefomgeving. De geboden en verboden die gemeenten in hun omgevingsplannen (de opvolgers van de bestemmingsplannen) opnemen worden minder absoluut: als het op een bepaalde plek verantwoord is om genoegen te nemen met meer lawaai of meer stank, dan kan dat, mits er meer kwaliteit van leven tegenover staat. Een gemeente kan een bouwplan voor een woonwijk of een café niet meer verbieden ‘omdat het niet in het omgevingsplan past’. De Omgevingswet gaat uit van het principe ‘ja, mits’: in principe wordt ieder plan geaccepteerd, mits het niet in strijd is met de doelen voor gezondheid, veiligheid en goede kwaliteit van leven die de gemeente samen met de inwoners heeft opgeschreven in de lokale omgevingsvisie.
De Omgevingswet kreeg een storm van kritiek van juristen en van buurtactivisten, want door het vervagen van de normen verliezen bewoners en ondernemers rechtszekerheid. Bouwondernemers hebben een veel sterkere positie in hun onderhandelingen met de gemeente, omdat in principe alles overal mag – met als perverse uitwas dat alle grond in potentie bouwgrond is waardoor geldbeluste beleggers de grondprijs opstuwen.
In principe is het verlies aan rechtszekerheid te compenseren door een vergroting van de ‘proces-zekerheid’. Als omwonenden zéker zouden weten dat hun wensen en belangen zorgvuldig worden meegewogen bij een bouwproject, en dat ze bij de rechter gelijk zouden krijgen als zou blijken dat de projectontwikkelaar en de gemeente ze niet serieus had genomen, dan zou de balans hersteld zijn. Maar dat is niet gebeurd.
Integendeel: critici noemden de Omgevingswet al een zuiver neo-liberale wet en het Jettenbal-akkoord geeft nog wat extra hapjes aan de rupsjes Nooitgenoeg van de bouw. Nadat in de Omgevingswet de rechtszekerheid al was afgezwakt, wordt nu ook nog eens de gang naar de rechter bemoeilijkt. Het hoger beroep wordt afgeschaft en het wordt veel duurder om een rechtszaak aan te spannen, zo staat in het akkoord te lezen. Het is precies wat de rechtse BBB-minister Mona Keijzer had willen doen.
Nog erger is de beknotting van de lokale democratie. Eerst kregen de gemeenten de opdracht om, samen met hun inwoners, in een Omgevingsvisie op te schrijven hoe de toekomst van de gemeente eruit zal zien: bijvoorbeeld energie-neutraal, met veel groen en biodiversiteit, met sociale woningbouw hier en luxe villa’s daar, bereikbaar, met voldoende werk en maatschappelijke voorzieningen. Nu zetten Jetten en Bontenbal daar een groot rood kruis door. In hun akkoord wordt het gemeenten verboden om ambitieuzer te zijn (of, zo je wilt: linkser) dan wat er minimaal door Brussel en Den Haag wordt voorgeschreven. Daarmee wordt dus de hele gedachte achter de Omgevingswet-revolutie – bevorderen van het gewenste in plaats van weren van het ongewenste – ongedaan gemaakt in het belang van de fastfood-bouw en ten koste van de lokale democratie.
Maar fast-bouw is toch juist wat we nodig hebben? De juridificering is toch teveel doorgeschoten als één bezwaarmaker een bouwproject met minstens twee jaar kan vertragen! En al die lokale eisen verhinderen toch dat je snel huizen uit de fabriek kan bouwen?
Dat zijn mythes. Elke professionele bouwondernemer houdt in zijn planning rekening met bezwaarprocedures. Het is een meevaller als die er niet zijn, geen tegenvaller als ze er wel zijn – want ze zijn er eigenlijk altijd. Als je dat niet incalculeert ben je stom bezig.
En hetzelfde geldt voor de uiteenlopende lokale eisen. Iedereen snapt dat je op een slappe bodem heipalen moet slaan, en op een helling eerst het fundament waterpas moet leggen. De fysische omstandigheden verschillen van plaats tot plaats, en daar houden bouwers rekening mee. Tot op zekere hoogte. Want als het om andere fysische of fysieke verschillen gaat – veroorzaakt door bijvoorbeeld klimaat (hitte of overstromingsgevaar), energie (duurzame warmtenetten), sociaal-economische omstandigheden, erfgoed of culturele ambitie, lokale omstandigheden die doorklinken in lokaal beleid, dan schreeuwt de bouw moord en brand.
Het is absurd om deze lokale verschillen de schuld te geven van het feit dat fabrieken waar kant-en-klare woningen uitrollen niet op 100% van hun capaciteit draaien. Die ‘woonprodukten’ kúnnen namelijk niet overal gebouwd worden. Die lokale verschillen moet je niet negeren, je moet zo slim bouwen dat je in die verschillende omstandigheden toch snel en efficiënt kan bouwen. En dat gebeurt gelukkig al, met fabrieken die geen complete woningen uitspuwen, maar bijvoorbeeld Lego-achtige modules die aan de lokale omstandigheden kunnen worden aangepast.
Terug naar het Jettenbal-akkoord. Het is schrijnend dat een voormalig energie-expert (Bontenbal) en een voormalig klimaatminister (Jetten) een verbod leggen op ambitieus lokaal klimaat- en energiebeleid. Maar het is nog veel erger dat getornd wordt aan de ruimte voor gemeenten om samen met bewoners ambitieuze democratische keuzes te maken en al helemaal om de positie van de rechtspraak in het corrigeren van onrecht te beknotten.
