Minister Keijzer heeft duidelijkheid gegeven over de voortgang van de Wkb. Zij benadrukt het belang van een zorgvuldig evaluatieproces, bevestigt eerder gemaakte afspraken over uitbreiding van de wet en onderstreept het vertrouwen in de inrichting en werking van het stelsel.

Minister Keijzer reageerde in haar brief van 28 januari 2026 op de motie van het lid Kemperman c.s. en de schriftelijke vragen van Kemperman over mogelijke belangenverstrengeling binnen het stelsel. Zij geeft aan ‘het beeld van (de schijn van) belangenverstrengeling bij ambtenaren niet te herkennen’ en ziet daarom geen reden voor nader onderzoek op dit vlak. Zij spreekt daarbij haar vertrouwen uit in de professionaliteit en integriteit van de TloKB.
Ook wijst ze op het belang van ‘concreet onderbouwde signalen en casussen, zodat deze adequaat te onderzoeken en te verifiëren zijn. Meningen of standpunten zonder onderbouwing over het wettelijke stelsel moeten hiermee niet worden vermengd.’
Ze legt uit dat het stelsel ‘getrapt is ingericht: het publieke toezicht op de kwaliteitsborging vindt plaats door de TloKB op de instrumentaanbieder en vervolgens door de instrumentaanbieder op de kwaliteitsborger. In aanvulling hierop ziet de TloKB toe op de werking van het stelsel in brede zin door bij 5% van de projecten op de bouwplaats de kwaliteit te verifiëren.’
VKBN ziet in deze antwoorden een belangrijk signaal. De minister bevestigt expliciet dat het stelsel zorgvuldig is ingericht, met heldere rolverdelingen en publiek toezicht als ‘slot op de deur.’ Daarmee worden de fundamenten van het getrapte stelsel expliciet bevestigd. Dat bevestigt wat ons betreft het vertrouwen in de integriteit en professionaliteit van de kwaliteitsborgers en instrumentaanbieders die dagelijks binnen dit kader werken aan bouwkwaliteit. Dit onderstreept dat kwaliteitsborging in Nederland is verankerd als professioneel en onafhankelijk stelsel, vergelijkbaar met andere toezichtregimes die in de praktijk hun waarde hebben bewezen.
Naast de reactie op de vragen gaat de minister in dezelfde brief in op de motie van Kemperman c.s., die op 16 december 2025 door de Eerste Kamer werd aangenomen. De motie verzocht de regering om de werking van de Wkb niet verder uit te breiden en om uiterlijk in maart 2026 een evaluatie naar de Kamer te sturen.
Het antwoord van de minister op deze twee hoofdpunten is als volgt:
De minister geeft aan dat het niet mogelijk is om de evaluatie al in maart toe te sturen. Zij houdt vast aan eerder gemaakte afspraken en streeft ernaar de (tussen)evaluatie over de jaren 2024 en 2025 vóór de zomer aan de Kamer aan te bieden. Ze licht in haar brief uitgebreid toe waarom een zorgvuldig proces van dataverzameling en validatie noodzakelijk is om ‘een zo volledig en betrouwbaar mogelijk tussenbeeld te geven van de werking van het stelsel.’
Wat betreft de uitbreiding van de Wkb stelt de minister dat uitbreiding naar verbouwactiviteiten ‘op dit moment niet aan de orde is.’ Met de VNG is afgesproken dat een eventuele verdere uitbreiding naar gevolgklassen 2 en 3 niet eerder zal plaatsvinden dan vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet. De inhoudelijke basis hiervoor zal de formele wetsevaluatie in 2027 zijn.
Tot slot benadrukt de Minister ‘dat er niet alleen negatieve signalen over de Wkb zijn.’ Ze wijst op de praktijkervaring die werd opgehaald tijdens de regiotour van de TloKB, waar deelnemers aangaven ‘naast de veranderingen in werkwijzen en processen, bouwen onder kwaliteitsborging ook als positief te ervaren.’ Vervolgens noemt de Minister de brief die de coalitie ‘Bouwen met vertrouwen’ (waartoe ook VKBN behoort) stuurde en wijst ze op ‘positieve ervaringen uit de bouwsector, zoals een stijgende bouwkwaliteit, een voorspelbaarder bouwproces, vermindering van faalkosten, het ontlasten van gemeenten en het sneller opleveren van projecten.’ Volgens de minister zijn deze signalen uit de praktijk nog geen finaal oordeel; dat volgt pas uit de volledige wetsevaluatie in 2027.
De Minister benoemt het proces dat volgt en eindigt met: ‘Het nieuwe kabinet zal de uitkomsten hiervan terugkoppelen in een begeleidende brief bij de rapportage.’ Met de aangekondigde tussenevaluatie vóór de zomer en de bevestiging dat de formele wetsevaluatie in 2027 het inhoudelijke ijkpunt blijft, biedt de brief duidelijkheid en continuïteit voor alle betrokken partijen. Voor kwaliteitsborgers, instrumentaanbieders en opdrachtgevers betekent dit ruimte om ervaring op te bouwen, verder te professionaliseren en gezamenlijk te werken aan een goed functionerend stelsel. VKBN ziet de komende evaluatiemomenten als belangrijke kansen om, op basis van feiten en praktijkervaring, het stelsel verder te versterken.
