Op rechtspraak.nl is de oudst vindbare uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de redelijkheid van een spuitzone van 50 meter van juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436).

Die uitspraak ging over het onthouden van goedkeuring door Gedeputeerde Staten (“GS”) van Gelderland aan een bestemmingsplan waarin gevoelige functies waaronder een kantoorfunctie binnen een afstand van 50 meter van agrarische bedrijvigheid in de fruitsector, de boomteelt en de glastuinbouw mogelijk werd gemaakt.
Volgens GS diende in het algemeen een afstand van 50 meter te worden aangehouden in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De motivatie van GS hield in dat de drift als gevolg van het bespuiten van de boomgaard die zich in de directe nabijheid van het voormalige agrarische bedrijfsgebouw bevond een gevaar voor de volksgezondheid kon vormen, omdat de nevel in een afgesloten ruimte, bijvoorbeeld een kantoor, kan komen waardoor de concentratie niet snel genoeg afneemt en daardoor langer schadelijk blijft voor de mens.
Deze regel was door GS niet opgenomen in een besluit, maar werd gehanteerd als vuistregel en vloeide voort uit het Streekplan Gelderland 1996. De Afdeling oordeelde daarover dat – gelet op het bepaalde in artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – de vuistregel als een vaste gedragslijn diende te worden aangemerkt.
De Afdeling oordeelde dat GS de toepassing van de vuistregel voldoende had onderbouwd. Ook werd in het algemeen de toepassing van de vuistregel niet onredelijk geacht. Wel had GS moeten onderzoeken of, gelet op de betrokken belangen, sprake was van bijzondere omstandigheden die noopten tot afwijking van de in de vuistregel neergelegde indicatieve afstand van 50 meter.
Het is niet bekend waar GS van Gelderland destijds op gebaseerd heeft dat een afstandsmaat van 50 meter een passende afstand was. Het lijkt erop dat de vuistregel is gebaseerd op de aanname dat de drift zich niet veel verder dan 50 meter zou verspreiden.
Sinds 2004 hanteert de Afdeling deze vuistregel in een standaardoverweging voor alle zaken waarin de afstand tussen gevoelige functies (wonen, recreatie, zorg, kantoor) en agrarische functies onderwerp van geschil is. De meest recente overweging van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2025:4134) luidt als volgt:
Vaste rechtspraak is dat er geen wettelijke bepalingen over de minimaal aan te houden afstanden bestaan tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen en tuinen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868). In het algemeen wordt een afstand van 50 m als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:804). Dit betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, maar aan het hanteren van een kortere afstand dient een deugdelijke motivering ten grondslag te worden gelegd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303).
In tal van procedures is intussen geprobeerd om af te wijken van de indicatieve afstand van 50 meter, vooral om deze kleiner te maken. Slechts in enkele gevallen is een besluit inzake een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor een geringere afstand, in stand gebleven.
We maken een sprong in de tijd tussen de motivering van de eerste uitspraak uit 2004 en een andere uitspraak uit 2025 in een aanpalend rechtsgebied: een handhavingszaak in het natuurbeschermingsrecht. In 2025 heeft de Afdeling geoordeeld over de vraag of er een natuurvergunning nodig is voor de lelieteelt op een agrarisch perceel op meer dan 250 meter van een Natura2000-gebied (ECLI:NL:RVS:2025:1428) en of het ontbreken daarvan aanleiding was voor handhavend optreden.
In deze procedure speelde twee onderzoeken een belangrijke rol. Ten eerste een RIVM-onderzoek uit 2019: Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten RIVM Rapport 2019-0052. Het doel van het onderzoek was om te bezien wat de gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen zijn op omwonenden die wonen binnen een korte afstand van de percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. In het onderzoek is onder andere gekeken naar de aangetroffen sporen in woningen, gelegen binnen verschillende afstanden tot agrarische percelen. Het onderzoek wordt hierna het “OBO-onderzoek” genoemd.
Ten tweede het onderzoek waarvan de Vereniging Natuurmonumenten en de Vereniging Meten=Weten opdrachtgever waren: Onderzoek naar de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in vier Natura 2000 gebieden in Drenthe en de mogelijke invloed van de afstand van natuurgebieden tot landbouwgebieden op de belasting met bestrijdingsmiddelen. In dit onderzoek is concreet gekeken naar hoe diep in natuurgebieden bestrijdingsmiddelen van welke aard en soort worden aangetroffen, in relatie tot omliggende landbouwpercelen.
In de uitspraak is – kort samengevat – geoordeeld dat een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit nodig zou kunnen zijn voor lelieteelt in de nabije omgeving van Natura2000-gebieden. Ik ga op deze plaats niet verder in op de uitspraak. Het gaat mij voor deze bijdrage om de onderliggende onderzoeken.
Uit de hiervoor vermelde onderzoeken – die gebaseerd zijn op concrete metingen – volgt dat bestrijdingsmiddelen in de natuur en in woonhuizen zijn aangetroffen tot op honderden meters van landbouwpercelen.
Uit paragraaf 3.1.2 van het OBO-onderzoek volgt bijvoorbeeld dat er geen duidelijk verschil is in concentraties bestrijdingsmiddelen in de binnenlucht en het huisstof tussen woningen op minder dan 50 meter, 50–100 meter, 100–150 meter en 150–250 meter van de landbouwpercelen.
Over spuitmomenten en spuittechnieken merkt het RIVM in paragraaf 3.3.1 en 3.3.2 op dat bij bollenteelt (waar het onderzoek zich op richt) middelen meestal naar beneden gericht gespoten worden. Bij boomteelt worden middelen opwaarts gespoten, waarbij de kans op drift groter is. Door opwaarts spuiten bij boomteelt kan een groter deel van het middel via de lucht verder weg worden verspreid. Op basis daarvan zou men kunnen verwachten dat de meetbare drift bij boomteelt – anders dan waar GS van Gelderland vanuit zijn gegaan – zelfs verder dan 50 meter verspreidt.
In het specifieke onderzoek naar vier Drentse natuurgebieden staat vermeld:
“Bij geen van de onderzochte natuurgebieden is een duidelijke afname van het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de vegetatie naarmate de afstand tot de landbouwakkers groter wordt, vastgesteld.”
Bij de conclusies staat:
“Door de gevonden meetwaarden staat het idee van beschermende bufferzones van enkele honderden meters breedte rond natuurgebieden tegen de invloeden van spuitnevels op losse schroeven.”
Uit de inmiddels beschikbare meetgegevens blijkt dat de residuen van bestrijdingsmiddelen tot op grote afstand worden gevonden van de agrarische percelen waar ze zijn toegepast. De overweging was destijds (2004) dat de middelen schadelijk konden zijn voor de volksgezondheid en dat om die reden een afstand van 50 meter moest worden gehouden tussen gevoelige functies en agrarische percelen. De vraag is daarmee hoe houdbaar de stelling nog is dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen nog steeds een afstand van 50 meter volstaat. Daarbij betrek ik ook rechtspraak uit het civiele domein.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in een civielrechtelijke uitspraak (ECLI:NL:GHSHE:2025:2043) geoordeeld dat een teler van lelies zich binnen een afstand van 250 meter van omwonenden moet onthouden van het gebruik van bepaalde bestrijdings-middelen op grond van een verhoogde zorgvuldigheidsnorm (in relatie tot artikel 6:162 BW, onrechtmatige daad). Ook in deze uitspraak heeft het OBO-onderzoek een rol gespeeld, meer nog dan in de uitspraak inzake de bescherming van Natura2000 gebieden, omdat in de uitspraak van het hof de gezondheid van omwonenden centraal stond.
Het hof stelde vast in de uitspraak dat er bij de toelating van de gebruikte bestrijdingsmiddelen geen onderzoek is gedaan naar bepaalde ernstige gezondheidsrisico’s, zoals de ziekte van Parkinson of ontwikkelingsstoornissen bij kinderen. Zowel het Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) als de EFSA (Europese autoriteit voor voedselveiligheid) hebben bevestigd dat dit soort risico’s niet systematisch is onderzocht, terwijl ze dat wel noodzakelijk achten. Volgens het hof ontbreekt die wetenschappelijke risico-beoordeling op dit punt en dat is in strijd met de Europese regels (Verordening 1107/2009), die stellen dat de bescherming van de menselijke gezondheid altijd voorrang moet krijgen boven de voordelen voor de landbouw.
Uit het OBO-onderzoek en het onderzoek inzake de Drentse natuurgebieden blijkt dat bestrijdingsmiddelen – in het bijzonder afkomstig van de lelieteelt – op veel grotere afstand dan 50 meter worden aangetroffen. In rechte staat vast dat de gezondheidsrisico’s van bepaalde middelen of middelencocktails niet zijn onderzocht. Daarmee is het wachten op de eerste uitspraak waarin ook de Afdeling oordeelt dat we als gevolg van voortschrijdend inzicht niet langer besluiten kunnen baseren op de vuistregel van het Streekplan Gelderland 1996.
Naar mijn mening moeten planwetgevers en initiatiefnemers van projecten bij agrarische of andere ontwikkelingen goed kijken naar de concrete agrarische activiteit en het bijbehorende bestrijdingsmiddelengebruik. Differentiatie van afstanden naar type agrarische activiteit is voorstelbaar. Sommige akkerbouwvormen kennen weinig middelengebruik, zoals maisteelt. Ook grasland kent geen of weinig middelengebruik. Maar teelten met een hoog middelengebruik, zoals de lelieteelt, dienen zich voor te bereiden op een spuitzone van 250 meter of meer tot gevoelige functies (en een vergunningplicht voor de Natura2000 activiteit indien binnen die zone Natura2000-gebieden aanwezig zijn). Daarbij komt het volgende: gezien de meetgegevens uit de aangehaalde onderzoeken, waarbij residuen van bestrijdingsmiddelen tot op grote afstand zijn gevonden, zou het wel eens zo kunnen zijn de vuistregel van 50 meter sowieso zijn beste tijd heeft gehad.
Tot slot: eigenaren van grond met ruime agrarische bestemmingen waar woningbouw of andere gevoelige functies in de omgeving oprukken, moeten rekening houden met een inperking van hun agrarische activiteiten naar teelttypen (geen bollen- of geen boomteelt bijvoorbeeld). Dergelijke planwijzigingen hoeven op grond van de Omgevingswet (anders dan onder de Wet ruimtelijke ordening) niet meer van overgangsrecht te worden voorzien. Eventuele schade (waardevermindering van grond) zal zich (gedeeltelijk) oplossen in nadeelcompensatie.
