Nieuwe klimaatdata schetsen een beeld van warmere zomers. Vanaf 2021 ontstond met de intrede van de TOjuli-eis meer aandacht voor het zomercomfort. Een groeiend aantal klachten over oververhitting bij de Huurcommissie tekent het belang daarvan. In dit artikel duiken we in de regelgeving, technische achtergronden en juridische dynamieken rond het ontwerpen van gebouwen voor zomercomfort.

Hoge temperaturen in de woning hebben een directe relatie met volksgezondheid en welzijn, in het bijzonder voor kwetsbare doelgroepen (zoals ouderen). In meer zuidelijke Europese landen blijken langere perioden van grote hitte al te leiden tot sterke, zeer ongewenste effecten op de gebouwde omgeving: zowel in het stedelijk gebied als in de gebouwen zelf, met politieke inmenging tot gevolg.
Dit artikel legt bloot dat de huidige bouwregelgeving met betrekking tot dit onderwerp kwetsbaar is en oplossingen makkelijk terecht komen in een breed speelveld van belangen. Hoewel de urgentie van hittebestendig bouwen indaalt in de sector, zijn er praktische belemmeringen die grote stappen voorwaarts tegenhouden.
Het beperken van oververhitting in nieuwbouwwoningen is sinds 1 januari 2021 via de TOjuli- en GTO-eis (als onderdeel van de BENG-eis) expliciet onderdeel van de bouwregelgeving. De berekeningen die worden gemaakt, worden gevoed vanuit de klimaatdatasets die zijn opgenomen in NEN 5060:2018 (+A1:2021). Deze datasets beschrijven klimaatjaren, meer specifiek: een gemiddeld jaar voor een winterberekening (verwarmingscapaciteit) en een gemiddeld jaar voor een zomerberekening (koelcapaciteit).
Klimaatjaren worden periodiek door NEN herijkt, onder verwijzing naar klimaatdata over afgelopen jaren. Voor de bouwsector is een doorkijk naar toekomstige klimaatjaren pas recent ontstaan. Onderleggers daarvoor zijn studies naar het effect van het opwarmende klimaat op de Nederlandse zomers (KNMI) en het effect van deze warmere Nederlandse zomers op de woningvoorraad (RVO/TKI).
Herziening van NEN 5060 is inmiddels in gang gezet, maar de publicatie van een nieuwe versie laat nog enige tijd op zich wachten. Ook is NEN begin dit jaar gestart met de ontwikkeling van de NTA meetmethode hitte in woningen. Deze zal in 2027 worden gepubliceerd. Tot op dat moment ziet de bouwsector zich geconfronteerd met twee uitdagingen:

Comfortabel binnenklimaat begint al in de omgeving van het gebouw. Vegetatie en water hebben direct effect op de buitentemperatuur in binnenstedelijk gebied. Om oververhitting verder te beperken kunnen verschillende typen maatregelen in het gebouwontwerp geïntegreerd worden. Met slimme gebouworiëntatie, beschaduwing (bijvoorbeeld door overstekken of lamellen) en buitenzonwering is veel mogelijk. Op gebouwniveau moeten de ruimtelijke consequenties, bijvoorbeeld vanuit beeldkwaliteit, zorgvuldig worden afgewogen.
Daarnaast gelden er eisen voor daglichttoetreding (NEN 2057:2011+C1:2011). De meer creatieve oplossingen in de gevel zijn vaak niet goed in te passen in deze daglichtberekening. Dat de optimalisatie tussen daglichttoetreding en het voorkomen van hittestress soms ‘tussen de regels door’ plaatsvindt, is daarom niet onbegrijpelijk. De daglichtfactor (NEN-EN 17037, gepubliceerd in 2019) biedt hierin meer een handvat, maar wordt naar het zich laat aanzien voorlopig niet in het Nederlandse stelsel geïntegreerd.
Omdat de BENG-berekeningen (met daarin TOjuli en GTO) hun oorsprong hebben in Europese richtlijnen is het relevant om te bekijken in hoeverre in Europa ontwikkelingen gaande zijn op het onderwerp hittestress.
Op dit moment bestaat er geen specifieke Europese regelgeving die direct en expliciet hittestress in de bouw en het omgevingsrecht adresseert. Hittestress wordt binnen de EU vooral gezien als onderdeel van klimaatadaptatie en stedelijke inrichting, bijvoorbeeld door vergroening en waterlichamen om hitte-eilanden te voorkomen. Een belangrijke richtlijn is de EU Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) (Directive (EU) 2024/1275). Deze richtlijn richt zich primair op energieprestatie en duurzaamheid van gebouwen. Hoewel hittestress niet expliciet als afzonderlijk normatief criterium wordt voorgeschreven, leidt de focus op energie-efficiënt klimaatcomfort onvermijdelijk tot aandacht voor koeling en thermisch comfort. In de praktijk is dit een belangrijk middel om hittestress binnen gebouwen te voorkomen.
Overige Europese richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit, waterkwaliteit en gevaarlijke stoffen zijn via de Nederlandse Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geïmplementeerd en kunnen indirect relevant zijn voor hittestress. De (vaak gebiedsgerichte) aanpak van hittestress vindt dus vooral plaats via nationale en lokale beleidsinstrumenten en strategieën.
Gemeenten nemen hittestress steeds vaker op in hun klimaatadaptatiebeleid, bijvoorbeeld door vergroening, beperking van verharding en stimulering van natuurinclusief bouwen. Hittestress kan ook relevant zijn bij de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Zo nemen gemeenten in omgevingsplannen steeds vaker expliciete normen en voorschriften op om hittestress te beperken, zoals omgevingswaarden voor groene pleinen en speelvoorzieningen, of voorschriften voor vergroening (bijvoorbeeld een verplicht percentage groen.
Het Beeldkwaliteitsplan (BKP) bevat veelal toetsbare criteria voor architectuur, materiaalgebruik, kleur, vormgeving van daken, stedenbouwkundige opzet en inrichting van de buitenruimte. Dit wordt vaak ingezet om open normen in een omgevingsplan concreter te maken. Bij de ontwikkeling van een nieuw gebied kan het omgevingsplan regels bevatten over de inrichting van het openbaar gebied en de erven. Het BKP kan bij de vergunningverlening vervolgens als interpretatiekader voor deze regels gelden. In dat geval fungeert het beeldkwaliteitsplan als beleidsregel.
Hoewel een BKP voornamelijk over beeldkwaliteit gaat, wordt het in de praktijk vaker gebruikt om klimaatadaptieve eisen op te nemen, zoals:
Deze elementen dragen direct bij aan vermindering van hittestress in woningen en woongebieden, maar maken de oplossing voor hittestress in de gevel niet altijd mogelijk. De knelpunten zijn daarbij:
Wij zien de volgende twee oplossingen. De gemeente neemt:
Met deze oplossingen kan het bevoegd gezag een initiatiefnemer eerder in aanmerking laten komen voor een omgevingsplanactiviteit voor een woning waarvan de gevel voorheen niet voldeed aan de beeldkwaliteitseisen. Om de praktijk een handvat te bieden hebben wij een modelbepaling opgenomen voor in het BKP (zie kader).

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) is ‘welstand’ geen zelfstandig toetsingsregime meer. Het welstandstoezicht is verplaatst naar het omgevingsplan en maakt nu onderdeel uit van de bouwregels daarin. Onder het overgangsrecht wordt een bestaande welstandsnota automatisch aangemerkt als beleidsregel. Het omgevingsplan kan bepalen dat bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor bouwen wordt getoetst of het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Deze toets is niet meer gericht aan de welstandsnota als zelfstandig document, maar aan de welstandsregels in het omgevingsplan, met gebruik van de (oude) welstandsnota als beleidsregel. Hierbij zijn de knelpunten als volgt:
Wij zien hiervoor de volgende twee oplossingen. De gemeente kiest ervoor:
Het besef van urgentie rondom zomercomfort groeit al enige tijd. Ook is steeds zichtbaarder dat de huidige regelgeving (zowel technisch als ruimtelijk) onvoldoende is klaargestoomd voor integrale, geoptimaliseerde oplossingen. De suggestie en/ of perceptie dat via sturing op TOjuli en GTO voldoende wordt gedaan om risico’s op oververhitting te beperken is daarbij fnuikend. Dergelijke sturing gaat voorbij aan het gegeven dat TOjuli/ GTO-waarden worden berekend op basis van klimaatdatasets die toekomstige zomers fors onderschatten. Daarmee ontstaat een vertroebelde kijk van de sector op het zomercomfortprobleem en blijft échte respons uit.
We noemen daarom tot slot maatregelen om de vijf belangrijkste aspecten die in projecten als belemmering worden ervaren aan te pakken. Die belemmeringen zijn door een gedeeld probleembesef én samenwerking in de keten (van gebouwinitiatief tot onderhoud, van gebiedsaanpak tot bewonersvoorlichting) als volgt weg te nemen:
Theo Haytink en Johan Kaspers zijn werkzaam bij Nieman raadgevende ingenieurs bv, Zwolle. Saskia hegeman werkt bij Nieman groep, Utrecht. Werner Altenaar en Roza Morrison zijn werkzaam bij Certa advocaten, Amsterdam.
Dit artikel staat in PONT, vakblad Bouwen met Kwaliteit (editie 2026-1). Bouwen met Kwaliteit is het vakblad dat PONT 8 keer per jaar uitbrengt in samenwerking met de Vereniging BWT Nederlanden Vereniging Kwaliteitsborging Nederland. Iedere editie duiken we met dit nieuwe magazine de diepte in, met interviews, verdiepingsartikelen en opinies van experts op het gebied van bouwkwaliteit. Klik hier voor meer informatie.
