Na drie blogs over het juridische instrumentarium en de grenzen van duurzaam bouwen is één vraag blijven liggen: hoe maak je dit werkbaar in de dagelijkse praktijk? In deze blogserie hebben wij laten zien dat duurzaam bouwen geen abstract streven meer is, maar dat gemeenten inmiddels beschikken over concrete juridische handvatten om hierop te sturen. De vraag is nu hoe gemeenten hun ambities zó vastleggen dat ze juridisch houdbaar zijn, maar tegelijk flexibel genoeg blijven om innovatie mogelijk te maken.

In deze afsluitende blog brengen we de inzichten uit de eerdere delen samen en vertalen die naar handelingsperspectief voor de dagelijkse gemeentelijke praktijk. Hoe geef je duurzame ambities vorm in regels die richting geven, maar niet vastzetten? En hoe zorg je dat ambitie ook echt wordt omgezet in actie?
De Omgevingswet geeft gemeenten veel vrijheid bij de inrichting van het omgevingsplan. Die vrijheid is essentieel om duurzaam bouwen juridisch goed te borgen. Duurzaamheidsambities laten zich vaak niet vangen in één uniforme set regels. Wat passend is in een verdichte binnenstad, kan namelijk onwenselijk zijn in een groen woongebied of een ecologisch kwetsbare zone.
Juist daarom ligt het voor de hand om te werken met werkingsgebieden, waarmee de gemeente duurzaamheidseisen kan afstemmen op de kenmerken van een gebied. In het ene gebied kunnen strengere eisen gelden voor natuurinclusief of klimaatadaptief bouwen, terwijl elders meer ruimte wordt geboden voor andere oplossingen. Door zo te differentiëren kun je met het omgevingsplan gericht maatwerk maken dat past bij wat een gebied nodig heeft.
Bij het stellen van deze regels beschikt de gemeente over afwegingsruimte. Zij kan functies of kenmerken van locaties aanwijzen en daar duurzaamheidsregels aan verbinden die verder gaan dan een generieke benadering. Ook een thematische wijziging van het omgevingsplan biedt mogelijkheden om duurzaam bouwen voor het hele grondgebied of voor specifieke deelgebieden te verankeren. Bij een thematische wijziging wordt niet per locatie gekeken maar per onderwerp: je werkt één set regels uit voor een heel thema, zoals duurzaam bouwen, en past die regels toe op de hele gemeente of op een brede groep locaties waar het relevant is. Daardoor kun je eenduidige en herkenbare duurzaamheidseisen opnemen die overal gelden, maar ook ruimte laten voor gebiedsspecifieke invulling binnen dat thema.
In blog 1 stond het instrumentarium van de Omgevingswet centraal, in blog 2 de grenzen en mogelijkheden binnen het Bbl en in blog 3 de aanvullende rol van het privaatrecht. In deze laatste verdieping komt dat samen aan de hand van drie thema’s die in de praktijk vaak spelen.
1. Groen, water en biodiversiteit: publiekrecht als stevig fundament
Bij klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen ligt de sturingsruimte vooral in het omgevingsplan. Deze onderwerpen vallen niet onder het oogmerk van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dat betekent dat gemeenten hier via ruimtelijke regels daadwerkelijk kunnen sturen.
Op perceel- of gebiedsniveau kunnen regels worden gesteld over waterberging, vergroening en het beperken van verharding. Denk aan groennormen, ecologisch ingerichte tuinen of vergroende gevels en erfafscheidingen. De gemeente stuurt daarmee op de kwaliteit van de leefomgeving; de technische uitwerking volgt via het Bbl.
Deze publiekrechtelijke borging kan aanvullend worden versterkt met privaatrechtelijke afspraken, bijvoorbeeld in anterieure overeenkomsten of via aanbestedingen. Zo ontstaat een samenhangend pakket van regels en afspraken dat elkaar versterkt.
2. Circulair bouwen: sturen met richting, niet met detail
Voor circulair bouwen is de speelruimte beperkter, maar aanwezig. De bouwtechnische eisen zijn grotendeels uitputtend geregeld in het Bbl. Toch biedt het omgevingsplan mogelijkheden om circulaire gebiedsontwikkeling.
Dat kan met open normen en doelvoorschriften, bijvoorbeeld door te sturen op een lage CO₂-impact van een gebied. Hoe daaraan wordt voldaan, blijft bewust open. Ook specifieke zorgplichten en, in bijzondere gevallen, de experimenteerbepaling kunnen hier een rol spelen. Circulair bouwen vraagt daarmee om een slimme combinatie van publieke regels en vrijwillige afspraken.
3. Schoon bouwen: sturen zonder te verkrampen
Schoon en emissieloos bouwen kent weer een ander vertrekpunt. Hier bevat het Bbl wel een landelijke norm: emissies bij bouw- en sloopwerkzaamheden moeten worden beperkt. Die norm is open geformuleerd en laat ruimte voor invulling. Zo kan emissieloos bouwen niet worden afgedwongen, maar het bevoegd gezag beoordeelt wel of de gekozen maatregelen voldoende zijn. Die beoordeling kan worden ondersteund met beleid, omgevingsprogramma’s en maatwerkvoorschriften. Daarnaast biedt het omgevingsplan ruimte om regels te stellen over vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats, een belangrijk aangrijpingspunt dat buiten het directe bereik van het Bbl valt.
Deze drie thema’s maken duidelijk waar de kern zit van juridisch sturen op duurzaam bouwen. Niet alles kan, maar er is meer mogelijk dan vaak wordt gedacht. De sleutel zit in het maken van bewuste keuzes: welk instrument past bij welk doel en waar versterkt een combinatie van publiekrecht en privaatrecht elkaar? Door die keuzes expliciet te maken, wordt duurzaam bouwen geen vrijblijvende ambitie, maar een vast onderdeel van de dagelijkse praktijk.
Duurzaam bouwen juridisch borgen vraagt niet om steeds strengere regels, maar om slimme inzet van de bestaande instrumenten. Differentiatie naar gebied, thematische keuzes in het omgevingsplan en een bewuste combinatie van publieke en private afspraken maken het verschil. Zo ontstaat een juridisch kader dat richting geeft, uitvoerbaar blijft en ruimte laat voor innovatie. Precies daar komt ambitie tot uitvoering.
