Het klinkt zo simpel. Er valt een hoosbui. Het water stroomt van het dak, door de goot, de regenpijp in, en verdwijnt via het riool of een wadi in de bodem. Maar technisch gezien is die route een administratieve hindernisbaan. De regels voor het dak praten namelijk niet met de regels voor de straat. En dat is precies waar het nieuwe OSKA-programma ‘Wateroverlast’ verandering in brengt.

Stel, een projectontwikkelaar wil een nieuwe woonwijk ‘klimaatadaptief’ bouwen. Hij kijkt in de boeken en ziet een norm voor de dakgoot. Die moet een bepaalde hoeveelheid water aankunnen. Prima. Maar even verderop, bij de aansluiting op de openbare weg, geldt een richtlijn van een heel andere organisatie. Die gaat misschien uit van een lichtere bui, of berekent de afvoercapaciteit net even anders.
Het resultaat? De dakgoot doet zijn werk en stort een enorme plens water naar beneden, precies zoals berekend. Maar de straat of het riool kan die piek helemaal niet aan, omdat daar met andere cijfers is gerekend.
"Dan ben je het probleem alleen maar aan het verschuiven," zegt Jeske Bleeker, consultant bij NEN en projectleider voor OSKA (Overleg Standaarden Klimaatadaptatie). "Je dweilt met de kraan open als je de keten niet sluit. Als de ene standaard zegt: 'dit dak moet water vasthouden', maar de rioleringsrichtlijn weet daar niets van, loopt het ergens in die wijk alsnog onder."
Het probleem is niet dat er geen regels zijn. Het zijn er juist veel, en ze komen vanuit verschillende organisaties.
"Vroeger lag de nadruk vooral op het riool," legt Bleeker uit. "De focus lag op afvoer via buizen. Nu leggen we wadi’s aan, waterpleinen, groene daken. Dat zijn maatregelen die dwars door alle domeinen heen fietsen. Een wadi ligt in de openbare ruimte, maar moet aansluiten op gebouwinstallaties en het rioolstelsel."
Sinds de publicatie van de Landelijke maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving (2023) is de behoefte gegroeid om de bestaande waterstandaarden beter op elkaar af te stemmen. Daarom heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opdracht gegeven dit binnen het OSKA-programma uit te werken, zodat onder meer gemeenten en provincies de maatlat praktisch kunnen toepassen.
Dat dit geen typisch Nederlandse uitdaging is, bevestigt de Wereldbank in haar recente World Development Report 2025. Het rapport noemt normen de "verborgen infrastructuur" van de moderne economie. Ze zijn onzichtbaar zolang ze werken, maar zodra ze ontbreken of niet op elkaar aansluiten, stagneert de ontwikkeling.
De Wereldbank waarschuwt dat beleidsmakers deze technische basislaag vaak negeren. Ze focussen op grote, meeslepende plannen en vergeten dat de uitvoering staat of valt met gedegen, technische afspraken. Wat OSKA nu doet – die 'verborgen infrastructuur' repareren en verbinden – is volgens de analyse van de bank precies wat nodig is om systemen werkend te krijgen. In de Nederlandse polder betekent dit concreet: zorgen dat de afspraken voor de dakgoot en de straatkolk niet langer vreemden voor elkaar zijn.
De oplossing is even nuchter als ambitieus: zet de samenstellers van die standaarden en normen bij elkaar in één kamer en afstemmen totdat de kaders kloppen. Dat is de kern van het nieuwe Programma standaardisatie wateroverlast' dat onlangs is gestart.
Bleeker: "We willen toe naar een situatie waarin iedereen met dezelfde bui rekent en met dezelfde definities werkt. Aansluiting op de Landelijke maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving is de basis. Als we afspreken: 'dit is de bui die eens in de honderd jaar valt', dan moet diezelfde bui in de norm voor de dakgoot én in de richtlijn voor de wegfundering staan."
Voor NEN is dit een ongewone rol. Normaal gesproken faciliteert NEN belanghebbenden en experts om normdocumenten te maken. Nu treedt de organisatie op als secretariaat, procesbewaker en budgetbeheerder van een programma dat zich grotendeels in samenwerking met andere partijen afspeelt. Het OSKA-programma Wateroverlast markeert daarbij een nieuwe fase in OSKA: voor het eerst worden meerdere norm- en standaardontwikkelingen programmatisch op elkaar afgestemd om samen één doel te realiseren.
"Het is zoeken," geeft Bleeker toe. "We stappen hiermee uit onze klassieke rol van het faciliteren van het normalisatieproces. Maar het is noodzakelijk. Je hebt een neutrale partij nodig die het overzicht bewaart. Iemand moet die keten bewaken."
Als dit lukt, ligt er in 2028 een set standaarden en normen die logisch in elkaar grijpt. Een aannemer hoeft dan niet meer te gokken welke richtlijn voorrang heeft. Maar de ambitie reikt verder dan natte voeten.
Wateroverlast was een logisch startpunt. In de landelijke maatlat zijn daarvoor al duidelijke uitgangspunten en normwaarden vastgelegd. De effecten zijn zichtbaar en de technische oplossingen zijn bekend. Voor hittestress of droogte – mogelijke volgende thema's op de agenda van OSKA – is dat veel lastiger.
"Bij hitte in de openbare ruimte is er nog nauwelijks beleid," zegt Bleeker. "Wanneer is een straat of plein te heet? Daar is geen harde grenswaarde voor. Zolang die politieke keuze niet is gemaakt, is het heel moeilijk om een norm te schrijven."
Het programma richt zich op het in de praktijk toepasbaar maken van de Landelijke Maatlat. Die stelt eisen aan de gebouwde omgeving, niet aan het gebouw zelf. Dat is de volgende stap. Eerst moet het waterprobleem worden opgelost. Niet met meer beton of bredere buizen, maar met standaarden die eindelijk dezelfde taal spreken.
