Er is sinds kort een nieuwe handreiking beschikbaar die houvast geeft bij het monitoren van klimaatadaptatie. De handreiking is opgesteld door de werkgroep Regionale Monitoring Klimaatadaptatie (RMK) en helpt werkregio’s en lokale overheden bij de vraag: liggen we op koers richting een klimaatbestendige leefomgeving?

De behoefte aan monitoring groeit, zo bleek uit eerdere evaluaties binnen het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Gemeenten en werkregio’s willen beter kunnen onderbouwen of de aanpak effectief is en of ze op koers liggen. Monitoring helpt ook om bij te sturen op de gestelde doelen en om voortgang te rapporteren. “Belangrijk hierbij is dat gemeenten en werkregio’s niet zelf het wiel hoeven uit te vinden”, zegt Sjoerd Brouns van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over de handreiking. “Op die manier creëer je een gedeelde basis en kun je leren van elkaar.”
In de handreiking vind je drie varianten voor monitoring van klimaatadaptatiedoelen. De basisvariant bevat indicatoren die breed toepasbaar zijn, op dit moment voor de thema’s hitte en wateroverlast. Voor hitte gaat het bijvoorbeeld om het percentage verharding of het boomkroonoppervlak. Veel gegevens van de basisindicatoren zijn al beschikbaar via het Buurtdashboard van de Klimaateffectatlas.
De plusvariant biedt extra indicatoren en thema’s. Niet al deze thema’s zijn in heel Nederland relevant, denk bijvoorbeeld aan verzilting. De regionale verdiepingsvariant helpt regio’s daarom om eigen concrete doelen via een stappenplan te vertalen naar passende indicatoren die je kunt monitoren. Dat betekent ook dat regio’s soms zelf aanvullende data moeten verzamelen.
Volgens Sofia van Holsteijn, adviseur klimaatadaptatie bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en mede-coördinator van de werkgroep, is beginnen belangrijk. “Gebruik de basisindicatoren als startpunt,” zegt ze. “Dan heb je alvast een eerste slag gemaakt.” De handreiking is nadrukkelijk geen afvinklijst of manier om een landelijk overzicht te krijgen. “Het is bedoeld om de regio’s te helpen bij de monitoring van eigen doelen,” benadrukt Brouns.
De Handreiking Regionale Monitoring Klimaatadaptatie bouwt voort op bestaande initiatieven. In de werkgroep zaten waterschappen, provincies, stichting RIONED en gemeenten die voorop lopen. Ze zijn bevraagd over hun monitoringsaanpak en hun werkwijzen zijn in kaart gebracht. Op basis daarvan is een systematiek ontwikkeld die breed toepasbaar is. “We hebben zo min mogelijk zelf bedacht,” zegt Brouns. “Zo sluit de handreiking zo goed mogelijk aan op de praktijk.”
De handreiking sluit aan op de tweede cyclus van het DPRA. Voor die cyclus is een methodiek ontwikkeld om werkregio’s te helpen bij het formuleren van concrete klimaatadaptatiedoelen. Meer hierover kun je lezen in het interview met Pieter den Besten en Gert Dekker uit december 2024. “Doelen stellen heeft pas zin als je er ook op gaat monitoren,” zegt Brouns. “En monitoren heeft pas zin als je concrete doelen hebt gesteld. Daarom is bij het ontwikkelen van de aanpak monitoring voortgebouwd op de aanpak voor doelen.”
In 2026 werkt de werkgroep verder aan indicatoren voor droogte en gevolgbeperking bij overstromingen, en worden aanvullende thema’s verkend. Regio’s kunnen nu al aan de slag met de handreiking en kunnen bijvoorbeeld ook de DPRA-procesbegeleiding gebruiken om stappen te zetten met monitoring en de koppeling met regionale doelen. “Je hoeft het niet alleen te doen,” zegt Van Holsteijn. “Er is veel ervaring en materiaal beschikbaar. En we denken graag mee.”
