Minister Schouten beantwoordt vragen over: 'Geniepig stikstofgevoelige natuur bijgeplust in Aerius' en het rapport 'Veel stikstofgevoelige natuur bijgetekend in rekenmodel Aerius (2017-2020)' van Stichting AgriFacts. Het bijtekenen van tienduizenden hectares stikstofgevoelige natuur in rekenmodel AERIUS. Het bericht 'Geniepig stikstofgevoelige natuur bijgeplust in Aerius'. Het onderzoeksrapport ‘Veel stikstofgevoelige hexagonen bijgetekend in Aerius’ van Stichting AgriFacts.

Hierbij zend ik uw Kamer de antwoorden op de vragen van het lid Bisschop (SGP) over het bijtekenen van tienduizenden hectares stikstof gevoelige natuur in rekenmodel Aerius (ingezonden 11 november 2020, kenmerk 2020Z21233).
2020Z21233
1
Heeft u kennisgenomen van het rapport van Stichting Agrifacts over het bijtekenen van stikstofgevoelige natuur in AERIUS?
Antwoord
Ja.
2
Deelt u de constatering dat in de afgelopen vijf jaar 80.000 hectare stikstofgevoelige natuur is bijgetekend in de habitatkaart van AERIUS?
Antwoord
In de versie van 2020 zit niet meer stikstofgevoelige natuur dan die in de versie van 2019, maar wel meer dan in de versie van 2016. De conclusies over meer stikstofgevoelige natuur in het rapport van Agrifacts gaan over het verschil tussen de AERIUS-versies van 2016 en 2017 (tussen 2017 en 2020 zijn de verschillen gering, zo blijkt ook uit het rapport).
Op 1 september 2017 is namelijk een nieuwe versie van AERIUS in gebruik genomen (versie-16L) waarin voor het eerst stikstofgevoelig leefgebied is verwerkt. Het oppervlak stikstofgevoelig leefgebied bedroeg toen 83.942 ha.
Deze toevoeging is op transparante wijze gebeurd door op 1 september 2017 o.a. het volgende bericht te plaatsen op de AERIUS-website: "Toevoeging leefgebieden: AERIUS 2016L bevat een aanvulling voor leefgebiedenkaarten. Dit betekent dat er meer hexagonen zijn waarop binnen het PAS de impact van stikstofdepositie berekend en getoetst wordt." De resultaten zijn verwerkt in alle relevante PAS-gebiedsanalyses, waarin steeds afzonderlijk is ingegaan op de leefgebieden. Deze documenten zijn actief openbaar gemaakt en door belanghebbenden veelvuldig gebruikt. Ook bij de terinzagelegging van de partiële herziening van het Programma Aanpak Stikstof (zomer 2017) is expliciet gewezen op het feit dat naast habitattypen ook leefgebieden van soorten relevant waren geworden. Daar zijn ook inspraakreacties op gekomen, waarin door de insprekers werd gewezen op de gevolgen voor de vergunningverlening.
De betreffende leefgebieden van soorten waren overigens ook al eerder dan in 2017 stikstofgevoelig, maar de kartering daarvan liep achter op die van de habitattypen. Oorzaak daarvan was dat pas in 2012 een indeling in aanvullende stikstofgevoelige leefgebieden beschikbaar was, met bijbehorende kritische depositiewaarden (het bekende rapport van Van Dobben e.a.). Vervolgens moesten die typen nog in kaart worden gebracht en per gebied gekoppeld aan de verschillende soorten die ervan gebruik maken. Dat is met name in de jaren 2016- 2017 gebeurd. Het resultaat is ten slotte in 2017 verwerkt in AERIUS.
3
Is de analyse juist dat terreinbeherende organisaties de facto vrije ruimte hebben om habitats als stikstofgevoelig leefgebied aan te merken en in te tekenen?
Antwoord
Terreinbeherende of andere natuurorganisaties zijn niet verantwoordelijk voor het opstellen, actualiseren en verbeteren van habitatkaarten - dat zijn de provincies, Rijkswaterstaat (namens I&W, voor de grote wateren) en - voor één gebied - het ministerie van Defensie. Deze bevoegde gezagen maken gebruik van informatie van onafhankelijke ecologische bureaus, met name vegetatiekarteringen. De opdrachten voor de karteringen worden vaak verleend door de terreinbeherende organisaties en andere eigenaren van natuurterreinen, die subsidie krijgen voor beheer en monitoring (waar ook kartering onder valt). De vertaling en bewerking van die vegetatiekarteringen naar habitatkaarten vindt in het algemeen plaats in opdracht van de bevoegde gezagen zelf, die ook altijd verantwoordelijk zijn voor de controle op juistheid van de habitatkaarten. Daarnaast vindt nog een onafhankelijke, grondige validatie van habitattypenkaarten plaats door experts, in opdracht van de gezamenlijke bevoegde gezagen.
Een habitatkaart maakt alleen zichtbaar waar de habitattypen en (overige, stikstofgevoelige) leefgebieden, die op grond van het aanwijzingsbesluit zijn beschermd, zich concreet bevinden - en waar niet. Dat gebeurt op een objectieve, wetenschappelijk-technische manier. Het is dus geen juridische of beleidsmatige beslissing, maar een weergave van de feitelijke situatie. De openbaarmaking van habitatkaarten kent dan ook geen aanwijzingsprocedure. Overal waar een reeds aangewezen habitat voorkomt, is dat al beschermd via het aanwijzingsbesluit, met bijbehorende inspraak- en beroepsprocedure. Uiteraard kan eenieder het bevoegde gezag wijzen op mogelijke fouten op een habitatkaart. Daarnaast is het mogelijk om hierop te wijzen in een bezwaar- en beroepsprocedure waar van de kaart gebruik wordt gemaakt, zoals bij vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming.
4
Kunt u nader duiden hoe het kan dat leefgebieden van soorten de afgelopen jaren opeens als stikstofgevoelig aangemerkt worden, terwijl dat eerder niet het geval was?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 2.
5
Wie is bestuurlijk verantwoordelijk voor de habitatkaart die in AERIUS gebruikt wordt?
Antwoord
De habitatkaart die in AERIUS wordt gebruikt, is een compilatie van alle afzonderlijke gebiedskaarten. Per gebied is de voortouwnemer van de bevoegde gezagen verantwoordelijk voor aanlevering van het bronbestand (habitattypenkaart en leefgebiedenkaart) aan de provinciale uitvoeringsorganisatie BIJ12, die elk bronbestand verifieert op technische juistheid en de aangeleverde data verwerkt tot één landelijke dataset. De gezamenlijke bevoegde gezagen voor Natura 2000 zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor de habitatkaart in AERIUS.
6
Hoe wordt toegezien op het intekenen van stikstofgevoelige leefgebieden en op welke wijze vindt daarbij ecologische en bestuurlijke toetsing plaats?
Antwoord
Zie de antwoorden op vraag 3 en 5.
7
Bent u bereid te zorgen voor een meer transparant besluitvormingsproces rond het intekenen van stikstofgevoelige leefgebieden, inclusief ecologische en bestuurlijke toetsing ervan?
Antwoord
Het opnemen van stikstofgevoelige leefgebieden wordt eerst ecologisch getoetst en vervolgens onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van Rijk en provincies doorgevoerd in AERIUS. Dat is en wordt op transparante wijze gedaan, zie het antwoord op vraag 2.
8
In hoeverre ziet de voorgestelde omgevingswaarde voor 2030 dat de depositie op minimaal 50% van het areaal stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde uit moet komen ook op het areaal stikstofgevoelige leefgebieden? Wat betekent dat voor de haalbaarheid van de omgevingswaarde?
Antwoord
De voorgestelde omgevingswaarde heeft ook betrekking op stikstofgevoelige leefgebieden. De haalbaarheid van de omgevingswaarde is daarop al getoetst, omdat die toetsing heeft plaatsgevonden met een AERIUS-versie waarin deze leefgebieden al waren opgenomen.
9
Kunt u de juridische status van leefgebieden van soorten ten opzichte van habitats van Natura 2000-habitattypen nader duiden?
Antwoord
De juridische status van leefgebieden is niet anders dan van habitattypen. Volgens de Vogel- en Habitatrichtlijn moet in Natura 2000-gebieden verslechtering van de habitats (leefgebieden) van soorten worden voorkomen. Ook moeten passende maatregelen worden genomen die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de soorten. Vandaar dat ook in de instandhoudingsdoelstellingen in aanwijzingsbesluiten expliciet het leefgebied van de soorten wordt genoemd.
Daarop moet dan ook worden getoetst bij toestemmingsverlening. In artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn staat namelijk dat "een passende beoordeling [moet worden] gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied".
10
Wordt bij de passende beoordeling en de toetsing van vergunningaanvragen wat betreft stikstofdepositie verschil gemaakt tussen depositie op habitats van stikstofgevoelige habitattypen (potentieel direct effect) en depositie op stikstofgevoelige leefgebieden van beschermde soorten (potentieel indirect effect)? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
11
Bent u bereid ervoor te zorgen dat terughoudend omgegaan wordt met het aanwijzen en intekenen van stikstofgevoelige leefgebieden van beschermde soorten en dat bij de passende beoordeling en toetsing minder zwaar getild wordt aan depositie op stikstofgevoelige leefgebieden van soorten?
Antwoord 10 en 11
Het is enerzijds zo dat stikstof voor diersoorten slechts een indirect effect heeft, namelijk via het leefgebied. Maar, omdat - conform de Vogel- en Habitatrichtlijn - ook het leefgebied zelf is beschermd, moet anderzijds ook getoetst worden op het leefgebied zelf. Daarbij wordt er uiteraard wel op gelet in hoeverre stikstof daadwerkelijk een relevante factor is bij het gebruik wat de betreffende soort van het leefgebied maakt. Zo kan het zijn dat stikstof voor een vogelsoort alleen een voedselprobleem veroorzaakt in de kuikenfase; als er echter in een gebied alleen een doelstelling is voor het doortrekken en niet voor het broeden, kan er in dat geval geen sprake zijn van een significant effect op de doelstelling.
Hierbij zend ik uw Kamer de antwoorden op de vragen van het lid Madlener (PVV) over de aanwijzing van natuurgebieden en het toevoegen van stikstofgevoelige habitats in het verleden (ingezonden 11 november 2020, kenmerk 2020Z21231).
2020Z21231
1
Bent u bekend met het bericht 'Geniepig stikstofgevoelige natuur bijgeplust in Aerius'?
Antwoord
Ja.
2
Klopt het dat in de nieuwe versie van AERIUS veel meer stikstofgevoelige natuur is dan in de oudere versie? Zo ja, kunt u dit verklaren?
Antwoord
In de versie van 2020 zit niet meer stikstofgevoelige natuur dan die in de versie van 2019, maar wel meer dan in de versie van 2016. De conclusies over meer stikstofgevoelige natuur in het rapport van Agrifacts gaan over het verschil tussen de AERIUS-versies van 2016 en 2017 (tussen 2017 en 2020 zijn de verschillen gering, zo blijkt ook uit het rapport).
Op 1 september 2017 is namelijk een nieuwe versie van AERIUS in gebruik genomen (versie-16L) waarin voor het eerst stikstofgevoelig leefgebied is verwerkt. Het oppervlak stikstofgevoelig leefgebied bedroeg toen 83.942 ha.
Deze toevoeging is op transparante wijze gebeurd door op 1 september 2017 o.a. het volgende bericht te plaatsen op de AERIUS-website: "Toevoeging leefgebieden: AERIUS 2016L bevat een aanvulling voor leefgebiedenkaarten. Dit betekent dat er meer hexagonen zijn waarop binnen het PAS de impact van stikstofdepositie berekend en getoetst wordt." De resultaten zijn verwerkt in alle relevante PAS-gebiedsanalyses, waarin steeds afzonderlijk is ingegaan op de leefgebieden. Deze documenten zijn actief openbaar gemaakt en door belanghebbenden veelvuldig gebruikt. Ook bij de terinzagelegging van de partiële herziening van het Programma Aanpak Stikstof (zomer 2017) is expliciet gewezen op het feit dat naast habitattypen ook leefgebieden van soorten relevant waren geworden. Daar zijn ook inspraakreacties op gekomen, waarin door de insprekers werd gewezen op de gevolgen voor de vergunningverlening.
De betreffende leefgebieden van soorten waren overigens ook al eerder dan in 2017 stikstofgevoelig, maar de kartering daarvan liep achter op die van de habitattypen. Oorzaak daarvan was dat pas in 2012 een indeling in aanvullende stikstofgevoelige leefgebieden beschikbaar was, met bijbehorende kritische depositiewaarden (het bekende rapport van Van Dobben e.a.). Vervolgens moesten die typen nog in kaart worden gebracht en per gebied gekoppeld aan de verschillende soorten die ervan gebruik maken. Dat is met name in de jaren 2016- 2017 gebeurd. Het resultaat is ten slotte in 2017 verwerkt in AERIUS.
3
Kunt u verzekeren dat het niet de bedoeling is dat natuurorganisaties de inhoud van een beleidsmodel bepalen, zoals AERIUS, en dat de inhoud van zo’n model volledig onder democratische controle valt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Terreinbeherende of andere natuurorganisaties zijn niet verantwoordelijk voor het opstellen, actualiseren en verbeteren van habitatkaarten - dat zijn de provincies, Rijkswaterstaat (namens I&W, voor de grote wateren) en - voor één gebied - het ministerie van Defensie. Deze bevoegde gezagen maken gebruik van informatie van onafhankelijke ecologische bureaus, met name vegetatiekarteringen. De opdrachten voor de karteringen worden vaak verleend door de terreinbeherende organisaties en andere eigenaren van natuurterreinen, die subsidie krijgen voor beheer en monitoring (waar ook kartering onder valt). De vertaling en bewerking van die vegetatiekarteringen naar habitatkaarten vindt in het algemeen plaats in opdracht van de bevoegde gezagen zelf, die ook altijd verantwoordelijk zijn voor de controle op juistheid van de habitatkaarten. Daarnaast vindt nog een onafhankelijke, grondige validatie van habitattypenkaarten plaats door experts, in opdracht van de gezamenlijke bevoegde gezagen.
Een habitatkaart maakt alleen zichtbaar waar de habitattypen en (overige, stikstofgevoelige) leefgebieden, die op grond van het aanwijzingsbesluit zijn beschermd, zich concreet bevinden - en waar niet. Dat gebeurt op een objectieve, wetenschappelijk-technische manier. Het is dus geen juridische of beleidsmatige beslissing, maar een weergave van de feitelijke situatie. De openbaarmaking van habitatkaarten kent dan ook geen aanwijzingsprocedure. Overal waar een reeds aangewezen habitat voorkomt, is dat al beschermd via het aanwijzingsbesluit, met bijbehorende inspraak- en beroepsprocedure. Uiteraard kan een ieder het bevoegde gezag wijzen op mogelijke fouten op een habitatkaart. Daarnaast is het mogelijk om hierop te wijzen in een bezwaar- en beroepsprocedure waar van de kaart gebruik wordt gemaakt, zoals bij vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming.
4
Vindt u het raar dat veel boeren het idee hebben dat het landbouw- en stikstofbeleid bedoeld is om ze van hun grond af te treiteren?
Antwoord
Dat idee kan niet gebaseerd worden op het huidige stikstofbeleid, want dat is daar niet voor bedoeld. De regering wil juist voor boeren ook weer ontwikkeling mogelijk maken. Daarom is het belangrijk de depositie omlaag te krijgen.
Hierbij zend ik uw Kamer de antwoorden op de vragen van het lid Geurts (CDA) over het bericht ‘Column: Democratische vraagtekens over bijplussen stikstofnatuur’ (ingezonden 18 november 2020, kenmerk 2020Z21903).
2020Z21903
1
Bent u bekend met het onderzoeksrapport ‘Veel stikstofgevoelige hexagonen bijgetekend in Aerius’ van Stichting AgriFacts (STAF)?1
Antwoord
Ja.
2
Klopt het dat er stikstofgevoelige natuur is ingetekend op locaties die privaat eigendom zijn en dat daarvoor geen (openbare) bestuurlijke procedure is doorlopen? Zo ja, kunt u aangeven welke locaties het betreft en wanneer dit heeft plaatsgevonden?
3
Welke partij of welk bestuursorgaan is verantwoordelijk voor het vaststellen van de stikstofgevoelige locaties en welke partijen hebben de mogelijkheid om de kaart met stikstofgevoelige gebieden aan te passen?
Antwoord 2 en 3
Stikstofgevoelige natuur wordt in AERIUS zichtbaar gemaakt overal waar het is gekarteerd onder verantwoordelijkheid van de bevoegde instanties. Dat betreft dus ook voor een belangrijk deel privaat eigendom. Dat is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de wettelijke verplichting om passende en instandhoudingsmaatregelen te treffen en om significante effecten uit te sluiten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van elk Natura 2000-gebied.
Het zichtbaar maken van stikstofgevoelige natuur in AERIUS gebeurt concreet door per hectare te vermelden welke habitattypen en (overige stikstofgevoelige) leefgebieden van soorten voorkomen en wat daarvan de kritische depositiewaarden zijn. Deze informatie wordt aangeleverd door de bevoegde instanties.
Een habitatkaart maakt alleen zichtbaar waar de habitattypen en (overige, stikstofgevoelige) leefgebieden, die op grond van het aanwijzingsbesluit zijn beschermd, zich concreet bevinden - en waar niet. Dat gebeurt op een objectieve, wetenschappelijk-technische manier. Het is dus geen juridische of beleidsmatige beslissing, maar een weergave van de feitelijke situatie. De openbaarmaking van habitatkaarten kent dan ook geen aanwijzingsprocedure. Overal waar een reeds aangewezen habitat voorkomt, is dat al beschermd via het aanwijzingsbesluit, met bijbehorende inspraak- en beroepsprocedure. Uiteraard kan een ieder het bevoegde gezag wijzen op mogelijke fouten op een habitatkaart. Daarnaast is het mogelijk om hierop te wijzen in een bezwaar- en beroepsprocedure waar van de kaart gebruik wordt gemaakt, zoals bij vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming. Specifiek voor het gebruik van AERIUS bij het PAS is de mogelijkheid geboden om in te spreken bij bijvoorbeeld de partiële herziening van het Programma Aanpak Stikstof (zomer 2017), waarbij expliciet is gewezen op het feit dat naast habitattypen ook leefgebieden van soorten relevant waren geworden. Daar zijn ook inspraakreacties op gekomen, waarin door de insprekers werd gewezen op de gevolgen voor de vergunningverlening.
Van nieuwe versies van AERIUS wordt steeds melding gemaakt op www.aerius.nl. Dus elke keer als de locaties met stikstofgevoelige natuur zijn aangepast, is dat gemeld en verduidelijkt in zogenoemde 'release notes'. Daarnaast is bijvoorbeeld ook (sinds 2012) veelvuldig gebruik gemaakt van nieuwsbrieven.
Voorafgaand aan de actualiseringen van AERIUS maken de bevoegde instanties op verschillende wijzen bekend of er nieuwe habitatkaarten zijn. Grondeigenaren worden op wisselende wijze betrokken bij de totstandkoming van de kaarten, maar voorop staat dat de kaarten op basis van objectieve gegevens worden gemaakt. Als de kaarten geen juiste weergave zouden zijn van de feitelijke situatie, zullen ze moeten worden gecorrigeerd.
4
Klopt de veronderstelling dat natuurorganisaties zelf de mogelijkheid hebben om de natuurkaart in AERIUS te actualiseren? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Antwoord
Nee, terreinbeherende of andere natuurorganisaties hebben deze mogelijkheid niet. Het actualiseren kan alleen door de bevoegde instanties gebeuren.
5
Op basis waarvan wordt bepaald welke locaties worden aangewezen als ‘stikstofgevoelig’ en hoe nauwkeurig kan dit worden bepaald?
Antwoord
Van aanwijzing is in juridische zin geen sprake (zie het antwoord op vragen 2 en 3). Het gaat om het zichtbaar maken van waar stikstofgevoelige natuur feitelijk voorkomt. In AERIUS gebeurt dat door per hectare te vermelden welke habitattypen en (overige stikstofgevoelige) leefgebieden van soorten voorkomen en wat daarvan de kritische depositiewaarden zijn.
De basis daarvoor zijn de habitattypenkaarten en de (aanvullende) kartering van stikstofgevoelige leefgebieden. Aan de habitattypen en de leefgebieden worden kritische depositiewaarden gekoppeld, zoals gepubliceerd in Van Dobben e.a. (2012). De nauwkeurigheid van de kartering van habitattypen komt gemiddeld genomen overeen met een schaal 1:10.000. De kartering van leefgebieden is vaak nog afhankelijk van gegevens die op een wat grover schaalniveau zijn verzameld. Per provincie is er in verschillende mate al een verfijningsslag gemaakt.
De reden voor het zo precies mogelijk inzichtelijk maken van de stikstofgevoelige locaties is dat op deze manier wordt vermeden dat getoetst moet worden op locaties waar zich geen beschermde habitats bevinden. Aanvankelijk (in de jaren voorafgaand aan de ingebruikname van AERIUS) werd er met AAgro-Stacks eenvoudigweg getoetst op het hele gebied, waarbij de dichtstbijzijnde rand van het natuurgebied bepalend was en waarbij de laagste KDW werd aangehouden. Juist de inperking tot de locaties met het feitelijk voorkomen van de habitats én het gebruik van verschillende KDW'n (afhankelijk van wat in een relevant hexagoon voorkomt) hebben geleid tot een minder stringente toetsing.
Wordt bij het aanwijzen van de stikstofgevoelige locaties ook fysieke controle gedaan op de desbetreffende locatie?
Antwoord
De bronbestanden met habitattypen en leefgebieden zijn gebaseerd op feitelijke gebiedsinformatie. Voor habitattypen zijn dat met name vegetatiekaarten, die op basis van veldonderzoek (in combinatie met luchtfoto's) worden gemaakt. De leefgebiedkaarten zijn volgens een andere methode gemaakt, die beschreven staat in het rapport 'Leefgebiedenkaarten van de Natura 2000-gebieden en PAS- gebieden' uit 2016 2. Naast veldgegevens hebben daar ook bewerkingen van verschillende kaartbestanden een rol gespeeld. In 2017 heeft in verschillende mate een verfijningsslag plaatsgevonden.
In de fase van verwerking van de bronbestanden in AERIUS (met een koppeling aan kritische depositiewaarden) wordt niet alsnog fysiek gecontroleerd.
7
Hoe wordt de eigenaar van de grond ervan op de hoogte gesteld dat zijn grond het label ‘stikstofgevoelig’ krijgt en heeft de grondeigenaar of eigenaar van een perceel in de omgeving mogelijkheid tot inzage en inspraak? Is het juridisch te verantwoorden dat private grond een bepaalde status krijgt toegewezen zonder akkoord van de grondeigenaar?
8
Indien het klopt dat de grondeigenaren (in de omgeving) van stikstofgevoelige percelen geen inspraakmogelijkheid hebben gehad, waarom is dit niet gebeurd en hoe wordt ervoor gezorgd dat zij deze mogelijkheid alsnog krijgen?
Antwoord 7 en 8
Zie de antwoorden op vragen 2 en 3.
9
Kunt u aangeven wat de status ‘stikstofgevoelig’ concreet inhoudt, wat voor directe of indirecte gevolgen deze heeft of in de toekomst gaat hebben voor de eigenaar/gebruiker van de grond en wat de gevolgen zijn voor grondeigenaren in de omgeving van stikstofgevoelige grond?
Antwoord
Ecologisch gezien, betekent stikstofgevoelig dat een habitattype of leefgebied in kwaliteit en oppervlak kan afnemen als gevolg van stikstofdepositie.
De status ‘stikstofgevoelig’ betekent concreet dat op de betreffende locatie rekening moet worden gehouden met mogelijke negatieve effecten van stikstof, zowel bij het treffen van passende en instandhoudingsmaatregelen als bij de toetsing in het kader van toestemmingsverlening. Ook telt het oppervlak mee bij de doelstelling zoals opgenomen in het wetsvoorstel Stikstofreductie en natuurverbetering.
10
Wat zijn de plannen voor de komende jaren met betrekking tot het toekennen van stikstofgevoelige statussen en hoe zien de bestuurlijke procedures eruit?
11
Op welke manier worden belanghebbenden op de hoogte gesteld van het voornemen om een stikstofgevoelige status toe te kennen en op welke manier krijgen zij de mogelijkheid om te reageren?
Antwoord 10 en 11
De werkwijze van de bevoegde instanties zal, voor zover nu bekend, niet anders zijn dan zoals geschetst bij de antwoorden op de vragen 2 tot en met 8.
Het al dan niet als stikstofgevoelig aanmerken van specifieke locaties in AERIUS vloeit voort uit aanpassingen van habitattypenkaarten en leefgebiedkaarten. Het voornemen tot aanpassing van de kaart in AERIUS valt daar dus al (vroegtijdig) uit af te leiden.
12
Bent u bekend met de voorbeelden van locaties waar in de afgelopen jaren ongezien stikstofgevoelige gebieden zijn toegevoegd op stukken grond die eigendom zijn van agrarische bedrijven en ook als zodanig gebruikt worden? Kunt u per toegestuurd voorbeeld antwoord geven op de vraag wanneer deze ‘toevoeging’ heeft plaatsgevonden en welke procedure hier gevolgd is? Kunt u ook per voorbeeld aangeven wat de grondslag geweest is en wat de reden is dat deze percelen opeens als stikstofgevoelig zijn bestempeld? Was de provincie bij elke locatie op de hoogte van het voornemen om een stikstofgevoelige status toe te kennen en is er vanuit de provincie goedkeuring gegeven? Kunt u ook per locatie aangeven of de grondeigenaren op de hoogte zijn gebracht en of er een bestuurlijke procedure doorlopen is?
Antwoord
Agrarisch gebruik is als zodanig geen criterium om te bepalen of een habitat stikstofgevoelig is. Het is de vegetatie (en het gebruik daarvan door een beschermde soort) die bepaalt of er sprake is van stikstofgevoeligheid. Wel is het zo dat bij het bemestingsniveau dat gebruikelijk is bij regulier agrarisch gebruik, geen vegetaties voorkomen die stikstofgevoelig zijn. Bij extensiever beheer (bijvoorbeeld vanwege weidevogels) kan dat anders liggen.
In de beschikbare tijd was het niet mogelijk om per locatie met zekerheid vast te stellen wanneer voor het eerst in AERIUS is vermeld dat de locatie stikstofgevoelig is. Voor zover het locaties met leefgebied betreft, is het aannemelijk dat dit heeft plaatsgevonden op 1 september 2017 (ingebruikneming van AERIUS-16L). In Overijssel heeft in 2017 nog een verfijningsslag plaatsgevonden.
De betreffende percelen zijn door de provincies bestempeld als stikstofgevoelig met de methode zoals vermeld in antwoord 6. De grondeigenaren zijn daar niet rechtstreeks van op de hoogte gebracht (zie echter de antwoorden op vragen 2 en 3).
Het voorbeeld in Drenthe betreft een gebied dat in beheer is bij de Vereniging Natuurmonumenten (Mantingerzand); dit is geen gebied dat in agrarisch gebruik
is. Het genoemde voormalige munitiedepot maakt geen deel uit van het Natura 2000-gebied.
Carola Schouten
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
1 Vee en Gewas, 13 november 2020, 'Democratische vraagtekens over bijplussen stikstofnatuur' (https://www.vee-en-gewas.nl/artikel/374103-democratische-vraagtekens-over-bijplussen-stikstofnatuur/)
2 https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/Rap_2016-21_Leefgebiedenkaarten-N2000-PAS_0.pdf
Hierbij zend ik uw Kamer de antwoorden op de vragen van het lid Harbers (VVD) over het bericht 'Geniepig stikstofgevoelige natuur bijgeplust in Aerius' en het Stichting Agri Facts onderzoek 'Veel stikstofgevoelige natuur bijgetekend in rekenmodel Aerius (2017-2020)' (ingezonden 11 november 2020, kenmerk 2020Z21235).
2020Z21235
1
Bent u bekend met het artikel ’Geniepig stikstofgevoelige natuur bijgeplust in Aerius’ en het onderzoek van Stichting AgriFacts ’Veel stikstofgevoelige natuur bijgetekend in rekenmodel Aerius (2017-2020)’?
Antwoord
Ja.
2
Klopt de constatering uit het onderzoek dat er in de afgelopen vijf jaar zo’n 80.000 hectares met stikstofgevoelige natuur zijn bijgetekend in de Natura 2000- gebieden en dat dit gebeurde buiten het zicht van belanghebbenden rondom die natuurgebieden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
In de versie van 2020 zit niet meer stikstofgevoelige natuur dan die in de versie van 2019, maar wel meer dan in de versie van 2016. De conclusies over meer stikstofgevoelige natuur in het rapport van Agrifacts gaan over het verschil tussen de AERIUS-versies van 2016 en 2017 (tussen 2017 en 2020 zijn de verschillen gering, zo blijkt ook uit het rapport).
Op 1 september 2017 is namelijk een nieuwe versie van AERIUS in gebruik genomen (versie-16L) waarin voor het eerst stikstofgevoelig leefgebied is verwerkt. Het oppervlak stikstofgevoelig leefgebied bedroeg toen 83.942 ha.
Deze toevoeging is op transparante wijze gebeurd door op 1 september 2017 o.a. het volgende bericht te plaatsen op de AERIUS-website: "Toevoeging leefgebieden: AERIUS 2016L bevat een aanvulling voor leefgebiedenkaarten. Dit betekent dat er meer hexagonen zijn waarop binnen het PAS de impact van stikstofdepositie berekend en getoetst wordt." De resultaten zijn verwerkt in alle relevante PAS-gebiedsanalyses, waarin steeds afzonderlijk is ingegaan op de leefgebieden. Deze documenten zijn actief openbaar gemaakt en door belanghebbenden veelvuldig gebruikt. Ook bij de terinzagelegging van de partiële herziening van het Programma Aanpak Stikstof (zomer 2017) is expliciet gewezen op het feit dat naast habitattypen ook leefgebieden van soorten relevant waren geworden. Daar zijn ook inspraakreacties op gekomen, waarin door de insprekers werd gewezen op de gevolgen voor de vergunningverlening.
De betreffende leefgebieden van soorten waren overigens ook al eerder dan in 2017 stikstofgevoelig, maar de kartering daarvan liep achter op die van de habitattypen. Oorzaak daarvan was dat pas in 2012 een indeling in aanvullende stikstofgevoelige leefgebieden beschikbaar was, met bijbehorende kritische depositiewaarden (het bekende rapport van Van Dobben e.a.). Vervolgens moesten die typen nog in kaart worden gebracht en per gebied gekoppeld aan de verschillende soorten die ervan gebruik maken. Dat is met name in de jaren 2016- 2017 gebeurd. Het resultaat is ten slotte in 2017 verwerkt in AERIUS.
3
Kunt u aangeven wat de (bestuurlijke) procedure is voor het aanwijzen van stikstofgevoelige natuur in AERIUS? Welk gezag is bevoegd natuur aan te merken als ‘leefgebied’ en is hier een aanwijzingsprocedure voor nodig?
4
Klopt het dat provincies en terreinbeherende organisaties, buiten de aanwijzingsprocedures van Natura 2000-gebieden om, de mogelijkheid hebben om de natuurkaart in AERIUS te actualiseren en hierbij stikstofgevoelige natuur toe te voegen aan de hexagonen? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze dit proces plaatsvindt? Is dit proces openbaar en is het voor belanghebbenden mogelijk een zienswijze dan wel bezwaar in te dienen?
5
Op basis van welke gegevens, en verstrekt door wie, worden er wijzigingen aangebracht in de hoeveelheid stikstofgevoelige natuur per hexagoon? Hoe vaak worden dit soort wijzigingen doorgevoerd?
Antwoord 3, 4 en 5
Terreinbeherende of andere natuurorganisaties zijn niet verantwoordelijk voor het opstellen, actualiseren en verbeteren van habitatkaarten - dat zijn de provincies, Rijkswaterstaat (namens I&W, voor de grote wateren) en - voor één gebied – het ministerie van Defensie. Deze bevoegde gezagen maken gebruik van informatie van onafhankelijke ecologische bureaus, met name vegetatiekarteringen. De opdrachten voor de karteringen worden vaak verleend door de terreinbeherende organisaties en andere eigenaren van natuurterreinen, die subsidie krijgen voor beheer en monitoring (waar ook kartering onder valt). De vertaling en bewerking van die vegetatiekarteringen naar habitatkaarten vindt in het algemeen plaats in opdracht van de bevoegde gezagen zelf, die ook altijd verantwoordelijk zijn voor de controle op juistheid van de habitatkaarten. Daarnaast vindt nog een onafhankelijke, grondige validatie van habitattypenkaarten plaats door experts, in opdracht van de gezamenlijke bevoegde gezagen.
Een habitatkaart maakt alleen zichtbaar waar de habitattypen en (overige, stikstofgevoelige) leefgebieden, die op grond van het aanwijzingsbesluit zijn beschermd, zich concreet bevinden - en waar niet. Dat gebeurt op een objectieve, wetenschappelijk-technische manier. Het is dus geen juridische of beleidsmatige beslissing, maar een weergave van de feitelijke situatie. De openbaarmaking van habitatkaarten kent dan ook geen aanwijzingsprocedure. Overal waar een reeds aangewezen habitat voorkomt, is dat al beschermd via het aanwijzingsbesluit, met bijbehorende inspraak- en beroepsprocedure. Uiteraard kan een ieder het bevoegde gezag wijzen op mogelijke fouten op een habitatkaart. Daarnaast is het mogelijk om hierop te wijzen in een bezwaar- en beroepsprocedure waar van de kaart gebruik wordt gemaakt, zoals bij vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming.
De habitatkaart die in AERIUS wordt gebruikt, is een compilatie van alle afzonderlijke gebiedskaarten. Per gebied is de voortouwnemer van de bevoegde gezagen verantwoordelijk voor aanlevering van het bronbestand (habitattypenkaart en leefgebiedenkaart) aan de provinciale uitvoeringsorganisatie BIJ12, die elk bronbestand verifieert op technische juistheid en de aangeleverde data verwerkt tot één landelijke dataset. De gezamenlijke bevoegde gezagen voor Natura 2000 zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor de habitatkaart in AERIUS.
De openbaarmaking van de kaart betreft geen aanwijzing, omdat het gaat om een verduidelijking - op basis van objectieve gegevens - van het voorkomen van waarden die op, grond van aanwijzingsbesluiten, in beginsel overal in de Natura 2000-gebieden zijn beschermd.
6
Vindt er een toets plaats op de aanpassingen in de hoeveelheid stikstofgevoelige natuur per hexagoon in AERIUS? Zo ja, aan welke criteria moet hierbij worden voldaan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het opnemen van stikstofgevoelige leefgebieden wordt eerst ecologisch getoetst en vervolgens onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van Rijk en provincies doorgevoerd in AERIUS. Zie verder de antwoorden op vraag 3 t/m 5.
7
Kunt u een overzicht geven van de hoeveelheid stikstofgevoelige natuur in AERIUS, uitgesplitst in voortvloeiend uit de officiële aanwijzingsbesluiten en later toegevoegd door (terreinbeherende) organisaties. Zo nee, waarom niet?
Antwoord
De totale hoeveelheid betreft in de versie-2020 van AERIUS 173.878 ha. Deze hoeveelheid stikstofgevoelige natuur is geheel bepaald binnen de kaders van de aanwijzingsbesluiten. Er is geen stikstofgevoelige natuur later toegevoegd door (terreinbeherende) organisaties.
8
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire behandeling van de Stikstofwet?
Antwoord
Ja.
Download 'Beantwoording Kamervragen over bijtekenen stikstofgevoelige natuur in rekenmodel AERIUS'
