De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft de Eerste Kamer uitgebreid geïnformeerd over de werking van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. In een beantwoording van Kamervragen gaat zij in op de eerste ervaringen met het stelsel, de rolverdeling tussen betrokken partijen en de wijze waarop toezicht en onafhankelijkheid zijn geborgd. De antwoorden zijn relevant voor gemeenten, omdat zij onder de Omgevingswet een gewijzigde rol hebben in het bouwtoezicht en nauw samenwerken met private kwaliteitsborgers.

Uit de beantwoording blijkt dat in 2025 binnen het stelsel van kwaliteitsborging ruim 2.400 bouwwerken zijn opgeleverd en dat de bouwkwaliteit op basis van inspecties door de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw een representatief beeld geeft. De kwaliteitsborger speelt daarbij een belangrijke rol. Bij een groot deel van de projecten is de bouwkwaliteit bij oplevering op orde of wordt deze dankzij signalering en herstel alsnog in overeenstemming gebracht met de bouwtechnische regels. Tegelijkertijd laten de inspecties zien dat bij een deel van de projecten tekortkomingen voorkomen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, gezondheid en installaties. Deze bevindingen worden gebruikt om instrumenten en werkwijzen verder te verbeteren.
De Eerste Kamer stelde ook vragen over mogelijke belangenverstrengeling binnen het stelsel. De minister benadrukt dat de regelgeving strenge eisen stelt aan de onafhankelijkheid van kwaliteitsborgers. Zij mogen op geen enkele wijze organisatorisch, financieel of juridisch betrokken zijn bij het bouwproject dat zij beoordelen. De naleving hiervan wordt bewaakt via een getrapt toezicht: instrumentaanbieders houden toezicht op kwaliteitsborgers en de TloKB ziet toe op beide. Indien sprake is van overtredingen kan de TloKB maatregelen treffen, variërend van waarschuwingen tot schorsing of intrekking van instrumenten. In 2025 is hiervan al gebruikgemaakt, wat volgens de minister laat zien dat het toezicht in de praktijk daadwerkelijk functioneert.
Voor gemeenten is met name van belang dat signalen en concrete casussen serieus worden opgepakt. De minister geeft aan dat algemene meldingen alleen in algemene zin kunnen worden beoordeeld, maar dat concrete signalen leiden tot een inhoudelijke weging en zo nodig tot ingrijpen. Om dit verder te versterken wordt een centraal meldpunt ingericht bij het Informatiepunt Leefomgeving, waar gemeenten, aannemers en kwaliteitsborgers praktijkgevallen kunnen melden. Dit moet bijdragen aan meer duidelijkheid, eenduidigheid en lerend vermogen binnen het stelsel.
Tot slot wijst de minister op de lopende monitoring en evaluatie van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Deze monitoring betrekt ervaringen van alle betrokken partijen en onderzoekt expliciet of de toezichtstructuur voldoende bescherming biedt tegen feitelijke en vermeende belangenverstrengeling. De resultaten hiervan worden periodiek met beide Kamers gedeeld. Daarmee blijft de werking van de Wkb nadrukkelijk onderwerp van aandacht, zowel landelijk als in de dagelijkse uitvoeringspraktijk van gemeenten onder de Omgevingswet.
