De implementatie van de herziene Europese Asbestrichtlijn in de Nederlandse regelgeving laat langer op zich wachten dan voorzien. Nederland heeft de Europese deadline van 21 december 2025 niet gehaald en is inmiddels door de Europese Commissie formeel in gebreke gesteld. Het kabinet blijft streven naar inwerkingtreding van de nieuwe regels per 1 januari 2027, al is niet uitgesloten dat verdere vertraging optreedt. Voor gemeenten raakt de implementatie vooral aan vergunningverlening, meldingen en toezicht binnen het stelsel van de Omgevingswet.

Met de nieuwe regelgeving wordt een vergunningplicht ingevoerd voor bedrijven die asbest verwijderen. Deze vergunningplicht geldt niet alleen voor sloopwerkzaamheden in gebouwen, maar ook voor het verwijderen van asbest uit bodem, grond en baggerspecie. De uitwerking daarvan vindt plaats in lagere regelgeving en sluit aan op de systematiek van risicogericht werken. Afhankelijk van de potentiële blootstelling aan asbestvezels gelden verschillende niveaus van eisen aan werkwijze, opleiding en borging. De bedoeling is dat bij laagrisicowerkzaamheden lichtere eisen gelden, terwijl bij werkzaamheden met een hoger risico een zwaarder regime van toepassing is. De lijst van bedrijven met een vergunning wordt openbaar gemaakt, wat gemeenten extra informatie kan bieden in het toezicht- en handhavingstraject.
De wijzigingen werken door in meerdere bestaande besluiten en regelingen, waaronder het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarmee raakt de implementatie direct aan gemeentelijke taken onder de Omgevingswet, zoals de behandeling van sloopmeldingen en de afstemming binnen het VTH-stelsel. Om de implementatie te versnellen maakt het kabinet gebruik van de mogelijkheid om bepaalde voorhangprocedures over te slaan, maar ook dan blijft de planning kwetsbaar, onder meer vanwege de benodigde ICT-aanpassingen.
Een ingrijpende wijziging betreft het beëindigen van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS). In de nieuwe situatie worden meldingen van asbestwerkzaamheden ondergebracht bij het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Het doel hiervan is om te komen tot één meldloket, waar ook sloopmeldingen al worden ingediend. Voor gemeenten kan dit leiden tot een vereenvoudiging aan de voorkant, maar de keuze heeft ook duidelijke nadelen. Het DSO heeft niet dezelfde analyse- en volgfunctionaliteiten als het LAVS. Daardoor beschikken toezichthouders tijdelijk over minder mogelijkheden om risicogericht toezicht uit te voeren. Het kabinet erkent dat dit gevolgen heeft voor de informatiepositie van toezichthouders en dat in de overgangsfase vaker steekproefsgewijs toezicht zal plaatsvinden.
Uit impactanalyses blijkt dat de nieuwe regels vooral gevolgen hebben voor bedrijven die nu niet gecertificeerd zijn, zoals onderhoudsbedrijven die asbestverwijdering als nevenactiviteit uitvoeren. Voor gemeenten betekent dit dat zij in de praktijk vaker te maken kunnen krijgen met bedrijven die hun werkzaamheden anders organiseren of ervoor kiezen om asbestverwijdering uit te besteden. De structurele kosten voor het bedrijfsleven nemen toe, maar zijn volgens het kabinet noodzakelijk om te blijven voldoen aan het beschermingsniveau dat de Europese richtlijn voorschrijft.
De behandeling van het wetsvoorstel en de bijbehorende lagere regelgeving in de Tweede Kamer loopt nog. Het kabinet dringt aan op spoedige besluitvorming om verdere vertraging en mogelijke Europese sancties te beperken. Voor gemeenten is het van belang om rekening te houden met een overgangsperiode en met veranderingen in informatie-uitwisseling, toezicht en vergunningverlening binnen het omgevingsrechtelijke domein. De komende periode zal meer duidelijk worden over de exacte uitwerking en de praktische gevolgen voor de gemeentelijke uitvoering.
Kamerbrief:
