Vanaf 2024 is de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) deels van kracht geworden. Daarmee komt de kwaliteitscontrole voor een deel van de bouwprojecten te liggen bij particuliere bedrijven. In dit rapport is onderzocht hoe de tarieven van een omgevingsvergunning om te (ver)bouwen zich ontwikkelen na het van kracht worden van de Wkb van 2024 op 2025.

Rapport: Ontwikkeling leges omgevingsvergunning om te bouwen 2024-2025
Conclusie
De kosten van een omgevingsvergunning om te bouwen stijgen gemiddeld van 2024 op 2025. Het gaat hier vooral om de kosten van een ruimtelijke vergunning om te bouwen. Hoewel deze kosten stijgen blijven ze wel aanzienlijk lager dan in 2023, het jaar voordat de Wkb van kracht werd. In hoofdstuk 2 blijkt al dat een groot deel van de ontwikkeling kan worden verklaard uit de stijgende bouwsom. Daarnaast zijn er enkele gemeenten waar kosten sterk stijgen doordat zij overstappen op een ander tariefsysteem.
In dit hoofdstuk kijken we of we aanvullende verklaringen kunnen vinden. Allereerst gaan we na of gemeenten met sterk stijgende om met dalende tarieven zelf een verklaring geven. Van de dertig gemeenten met een opvallende mutatie zijn er slechts vijf die hier een reden voor geven in de paragraaf lokale heffingen van de begroting.
Als redenen worden gegeven dat het tariefsysteem is aangepast, dat de kosten zijn gestegen en als laatste dat de kostendekking wordt veranderd. In het tweede deel van het hoofdstuk onderzoeken we mede om die laatste reden of de kostendekking (de mate waarin begrote opbrengsten de begrote kosten dekken) van de legesverordening is veranderd en of er een verband is tussen de ontwikkeling van de betaalde bedragen en de kostendekking.
De legesverordening is gemiddeld niet kostendekkend. In veel gemeenten kunnen opbrengsten stijgen zonder dat er niet wordt voldaan aan de eis dat de opbrengsten maximaal kostendekkend mogen zijn. De begrote kostendekking voor de omgevingsvergunningen blijkt van 2024 op 2025 heel licht te zijn gedaald. Deze daling is kleiner dan 1 procentpunt en kan de ontwikkeling van de betaalde bedragen niet verklaren.
Ten slotte gaan we na of de mutatie van de betaalde bedragen samenhangt met de mutatie van de kostendekking. Dat blijkt niet het geval te zijn. In dit tweede deel van dit hoofdstuk wordt daarmee duidelijk dat de mutatie van de betaalde bedragen niet samenhangt met een veranderende kostendekking.
