In deze beantwoording reageert de minister op schriftelijke vragen van de Eerste Kamer over de voortgang en werking van de Omgevingswet in het derde kwartaal van 2025. De vragen richten zich vooral op de uitvoering in de praktijk, het gebruik van instrumenten zoals het omgevingsplan en de BOPA, de werking van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), regeldruk en participatie.

De minister schetst dat het gebruik van de Omgevingswet-instrumenten toeneemt, maar dat gemeenten daarbij verschillende tempo’s hanteren. Het gebruik van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) neemt richting de uitfasering per 1 januari 2026 toe, wat wordt verklaard door overgangsrecht en uitvoeringspraktijk. Er wordt geen structurele terugval verwacht in het aantal vastgestelde omgevingsplanwijzigingen, al kan tijdelijk capaciteit onder druk komen te staan.
Verder blijkt dat het aantal aanvragen voor omgevingsvergunningen, meldingen en informatieplichten in 2025 is toegenomen ten opzichte van 2024. Van een langdurige ‘dip’ na invoering van de Omgevingswet is volgens de minister geen sprake. De verhouding tussen BOPA’s en omgevingsplanwijzigingen wordt als logisch en vergelijkbaar met de situatie onder het oude recht beschouwd.
Tot slot gaat de minister in op participatiebeleid, de positie van derden, doorlooptijden, ondersteuning van decentrale overheden en de rol van de invoeringstoets. De beantwoording benadrukt dat verdere groei in kennis en benutting van instrumenten wordt verwacht richting 2032, wanneer de overgangsperiode van de Omgevingswet afloopt.
