Een discussie over een ogenschijnlijk klein detail in een appartementengebouw laat zien hoe groot het verschil van inzicht kan zijn tussen gemeente en bouwpraktijk. In een recent advies oordeelt de ATGB dat een veelgebruikte gelijkwaardige oplossing voor een opstapmogelijkheid bij een raam ook onder het huidige Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) nog steeds kan voldoen.

De zaak draait om een nieuwbouwproject met twaalf appartementen, dat is vergund op basis van definitief ontwerptekeningen uit maart 2024. Tijdens een bouwinspectie constateerde de gemeente dat op de tweede verdieping een opstapmogelijkheid bij een raam was gerealiseerd op circa 0,42 meter boven de vloer. Volgens de regels van het Bbl is een dergelijke opstap tussen 0,2 en 0,7 meter in principe niet toegestaan, omdat dit het risico op overklauteren vergroot.
De architect verwees echter naar een bekende en breed toegepaste gelijkwaardige oplossing uit 2009, ontwikkeld door de Werkgroep Gelijkwaardigheid van Vereniging Stadswerk. Deze oplossing voorziet in aanvullende maatregelen, zoals een minimale doorvalhoogte en het voorkomen van extra opstapmogelijkheden, waarmee in de praktijk eenzelfde veiligheidsniveau wordt bereikt. Deze detaillering was bovendien al opgenomen in de vergunde ontwerpstukken en ook als zodanig uitgevoerd.
De gemeente wees dit af en stelde dat de onderbouwing verouderd is, omdat deze nog uitgaat van het oude Bouwbesluit. Volgens het bevoegd gezag is onduidelijk of deze benadering nog past binnen het huidige Bbl en wordt uit voorzorg strikt vastgehouden aan het verbod op opstapmogelijkheden in de kritieke zone.
De ATGB volgt die redenering niet. In het advies wordt benadrukt dat de inhoudelijke eisen rond doorvalveiligheid en opklauterbaarheid bij de overgang van het Bouwbesluit naar het Bbl nagenoeg ongewijzigd zijn gebleven. Daarmee blijft ook ruimte bestaan voor gelijkwaardige oplossingen die aantoonbaar hetzelfde veiligheidsniveau bieden.
In dit specifieke geval concludeert de commissie dat de gekozen detaillering inderdaad kan worden gezien als een gelijkwaardige maatregel. Door de combinatie van een voldoende hoge vloerafscheiding, beperkte openingen en het ontbreken van extra opstapmogelijkheden wordt volgens de ATGB een veiligheidsniveau bereikt dat aansluit bij de bedoeling van de regelgeving.
Daar komt bij dat het betreffende detail al onderdeel was van de verleende omgevingsvergunning. Hoewel het detail strikt genomen niet voldoet aan de letter van de voorschriften, is het plan destijds wel vergund op basis van deze stukken. In zo’n situatie geldt dat gebouwd moet worden volgens de vergunning en dat dit in beginsel door de gemeente moet worden geaccepteerd.
Alleen als sprake is van een aantoonbaar onveilige situatie kan de gemeente alsnog ingrijpen, bijvoorbeeld via een maatwerkvoorschrift. De lat daarvoor ligt echter hoog en de onderbouwing ligt volledig bij het bevoegd gezag. In deze casus ziet de ATGB daar geen directe aanleiding voor, mede omdat de uitgevoerde oplossing volgens de commissie zelfs op onderdelen tot een hogere veiligheid leidt dan de minimumeisen.
Het advies onderstreept dat het overgangsrecht en het gelijkwaardigheidsbeginsel ook onder de Omgevingswet en het Bbl een belangrijke rol blijven spelen. Het enkele feit dat een oplossing zijn oorsprong heeft in het Bouwbesluit betekent niet dat deze automatisch achterhaald is. Voor de praktijk betekent dit dat bestaande, goed onderbouwde oplossingen in veel gevallen gewoon toepasbaar blijven, mits het veiligheidsniveau aantoonbaar gelijkwaardig is.
