Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Bij omgevingsvergunningen voor welke activiteiten moet wel of niet aan het etfal-criterium worden getoetst

Recentelijk is in jurisprudentie over diverse soorten omgevingsvergunningplichtige activiteiten op basis van de Omgevingswet aan de orde gekomen of al dan niet moet worden getoetst aan het criterium van de evenwichtige toedeling van functie aan locaties (ETFAL). In dit blogartikel wordt dit voor de volgende soorten activiteiten op een rij gezet:

6 February 2026

1.Bouwtechnische activiteit; 2. Omgevingsplanactiviteit bouwen (OPA Bouw); 3. Omgevingsplanactiviteit aanleggen; 4. Omgevingsplanactiviteit toepassen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid; 5. Omgevingsplanactiviteit kappen/bomen (art. 22.8 Ow); 6. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).

● Bouwtechnische activiteit

Voor de technische bouwactiviteit op grond van art. 5.1, lid 2, onder a Omgevingswet (Ow) is in de rechtspraak inmiddels bevestigd dat niet aan ETFAL wordt getoetst.

De toets die het college moet uitvoeren bij de vraag of aan de voorwaarden met betrekking tot de technische bouwkwaliteit van bouwwerken uit het Bbl is voldaan, betreft een aannemelijkheidstoets (dit volgt uit art. 8.3b Bkl). Het college komt bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bbl beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat ook daadwerkelijk wordt voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot de technische bouwkwaliteit uit het Bbl (Rb. Gelderland 2 januari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2025:11477)

In de uitspraak van de Rb. Midden-Nederland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:316 is bevestigd dat de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit door het college alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels voor technische bouwkwaliteit van hoofdstuk 4 Bbl (en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld), zie: art. 8.3b Bkl. Verzoeker voert aan dat bij de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit onduidelijk is hoe deze activiteit binnen de bestemmingsomschrijving ‘Bedrijf-dierenasiel’ uit het bestemmingsplan valt. Ook zijn volgens verzoeker de publiekrechtelijke beperking die op het perceel rust en het verbod op grondwateronttrekking of -gebruik ten onrechte niet in de omgevingsvergunning genoemd. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat de drie punten die verzoeker hier aanvoert geen onderdeel uitmaken van de beoordelingsregels voor de technische bouwactiviteit. De omgevingsvergunning voor deze bouwactiviteit wordt door het college alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels voor technische bouwkwaliteit van hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld). Daarvan maken deze drie punten geen onderdeel uit. Van een onzorgvuldige voorbereiding van de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake.

● OPA Bouw (binnenplans)

Uit bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Limburg d.d. 6 juni 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:5299 volgt expliciet dat bij de OPA bouw (art. 5.1, lid 1, onder a Ow jo. art. 22.29 omgevingsplan) niet wordt getoetst aan het ETFAL-criterium.  De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan niet in strijd is met de bepalingen uit het omgevingsplan “Heerlen” (hierna: het omgevingsplan) en het bestemmingsplan ‘Hoogveld’(hierna: het bestemmingsplan) dat per 1 januari 2024 is opgegaan in het omgevingsplan, omdat binnen de geldende bestemming ‘Grondgebondenen/of gestapelde woningen’ op onderhavig perceel gestapelde woningen zijn toegestaan en de situering en hoogte van het bouwplan voldoen aan de in de artikelen van het omgevingsplan genoemde afstanden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet verweerder, gelet op het limitatief-imperatief stelsel, de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwen verlenen wanneer het bouwplan niet in strijd is met de voorwaarden die daaraan zijn gesteld in het omgevingsplan. Dit volgt uit art. 5.18, lid 1 Ow in samenhang met art. 22.29 van het omgevingsplan en art. 8.0a, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Verweerder heeft dus geen ruimte om een eigen belangenafweging te maken of te beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit betekent dat nu niet betwist is dat het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan, verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit(omgevingsplan) moest verlenen en het gestelde over de privacy, schaduwwerking, schade, wateroverlast en elektriciteit niet bij zijn beoordeling kon betrekken. Voorlopig oordelend zullen deze beroepsgronden dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep.

Zie in dezelfde zin bijvoorbeeld ook: Rb. Midden-Nederland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:316. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond zo dat verzoeker vindt dat de omgevingsvergunning voor de OPA Bouw niet is verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zoals bedoeld in art. 8.0a, lid 2 Bkl). Maar van zo’n evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoeft alleen sprake te zijn als een aanvraag betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dit geval heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag van vergunninghouder vastgesteld dat sprake is van een omgevingsplanactiviteit die niet in strijd is met het omgevingsplan (een zogenoemde binnenplanse omgevingsplanactiviteit). Het college moet de omgevingsvergunning verlenen als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning (art. 8.0a, lid 1 Bkl). Het college acht het bouwplan van vergunninghouder niet in strijd met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Ook is het uiterlijk of de plaatsing van het nieuwe dierzorgcentrum niet in strijd met de redelijke eisen van welstand en wordt de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet overschreden (art. 22.29 Omgevingsplan). Het college moest de omgevingsvergunning daarom verlenen. Het college heeft dan geen beleidsruimte. Dit betekent dat het college ook geen ruimte heeft om te beoordelen of sprake is van privaatrechtelijke belemmeringen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met zijn gronden niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan wel in strijd zou zijn met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

Zie tenslotte bijvoorbeeld ook nog de uitspraak Rb. Noord-Holland 6 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2025:15465, waarin nogmaals is bevestigd dat art. 22.29 van het omgevingsplan een limitatief-imperatief toetsingskader inhoudt en er dus geen belangenafweging met toepassing van het ETFAL-criterium plaatsvindt. Op 27 augustus 2025 heeft het college omgevingsvergunningen verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de bestaande garage: een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit “bouwwerken” (art. 5.1, lid 1 onder a Ow en art. 22.26 Omgevingsplan) en een vergunning voor een technische bouwactiviteit (art. 5.1, lid 2, onder a Ow).  Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt, en dus niet onderbouwd, waarom er getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunningen. De gronden die verzoeker heeft aangevoerd zijn gebaseerd op stellingen over zijn recht op privacy en uitzicht. Die stellingen kunnen echter niet afdoen aan het standpunt van het college dat het bouwplan voldoet aan de eisen van het geldende omgevingsplan (en het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan).  De volgens het omgevingsplan maximale toegestane bouwhoogte op de garage wordt, zo is immers niet in geschil, niet overschreden met de dakopbouw. Dit betekent dat er geen grond is voor het college om de verzochte omgevingsvergunningen, en met name de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “bouwwerken”, te weigeren.  Omdat er geen strijd is met het omgevingsplan is het college ook niet gehouden een belangenafweging te maken waarin het beroep van verzoeker op privacy en uitzicht wordt betrokken. Het belang van verzoeker bij privacy en vrijwaring van inkijk in zijn woning vanaf de dakopbouw, kan dus geen reden vormen om de omgevingsvergunningen te weigeren. Het bezwaar heeft daarom naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ook geen grote kans van slagen.

●  Omgevingsplanactiviteit toepassen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit tijdelijke deel omgevingsplan

In art. 5.18 jo. art. 5.21 lid 2 onder a Ow is opgenomen dat de beoordelingsregels ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels. Art. 8.0a lid 1 Bkl bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 2017/18, 34 986, nr. 3, p. 65 en 186) wordt bevestigd dat bij de binnenplanse omgevingsplanactiviteit sprake is van een limitatief-imperatief stelsel. Wanneer de aangevraagde activiteit op grond van de binnenplanse beoordelingsregels aanvaardbaar is te achten, dan moet (imperatief) de vergunning worden verleend. Buiten het gelimiteerde stelsel van beoordelingsregels in het omgevingsplan, kunnen géén andere gronden worden aangevoerd om de vergunning te weigeren. De opzet van art. 8.0a lid 1 Bkl laat overigens onverlet dat de beoordelingsregels voor in het omgevingsplan opgenomen vergunningenstelsels een redactie kunnen hebben in de vorm van een weigeringsgrond of een verleningsgrond. Ook kunnen de beoordelingsregels in meer of mindere mate beslissingsruimte geven aan het bevoegd gezag. In eventuele afwegingsruimte moet in het omgevingsplan zelf zijn voorzien. Een gemeente zal in het nieuwe omgevingsplan dus moeten zorgen (indien zij dat wil) dat de beoordelingsregels voldoende afwegingsruimte bevatten. Naar mate de beslissingsruimte van die regels groter is, beperkt dat vanzelfsprekend het imperatieve karakter en ontstaat binnen de beoordelingsregels van het omgevingsplan de ruimte voor een afweging per afzonderlijke omgevingsplanactiviteit.

Gedurende de transitiefase (tot 1 januari 2032), waarin een nieuw deel van het omgevingsplan moet worden vastgesteld (zie over dit verschil in beoordelingskader tussen art. 8.0a lid 1 Bkl en art. 22.281 van de bruidsschat: ABRvS 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624), is in de bruidsschat echter in art. 22.281 bepaald dat, in afwijking van het limitatief-imperatieve stelsel van art. 8.0a lid 1 Bkl, toch sprake is van een discretionaire bevoegdheid om de binnenplanse omgevingsplanactiviteit (toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid) te verlenen (Staatsblad 2020, nr. 400, p. 936). Art. 22.281 van de bruidsschat c.q. het tijdelijke deel van het omgevingsplan bepaalt dat voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in art. 22.1 lid 1 onder a Ow gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in art. 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Met andere woorden, uit art. 22.280 omgevingsplan (de bruidsschat) volgt dat als voor een activiteit in een bestemmingsplan dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Voor bouwplannen die in strijd zijn met een dergelijk bestemmingsplan en waarvoor een binnenplanse afwijkmogelijkheid is opgenomen, geldt dus ook een omgevingsvergunningplicht voor een (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit voor het handelen in afwijking van het omgevingsplan (art. 5.1, lid 1, onder a Ow in samenhang met art. 22.280 van het omgevingsplan). Dit wordt de omgevingsvergunning voor de afwijkactiviteit genoemd en betreft een voortzetting van de binnenplanse afwijkvergunning uit de Wabo (art. 2.1, lid 1, onder c, in samenhang met art. 2.12, lid 1, onder a, onder 1 Wabo). Zie: Rb. Gelderland 2 januari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2025:11398.

Dit voorgaande over de binnenplanse omgevingsplanactiviteit inzake het toepassen van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid en het daarbij wél toetsen aan ETFAL is in de jurisprudentie reeds bevestigd.

Een voorbeeld is de uitspraak van de Rb. Zeeland West-Brabant van 4 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:538. In een geval als dit – waarin de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het omgevingsplan staat als gevolg van het tijdelijk deel van het omgevingsplan – geldt op grond van artikel 22.281 van het omgevingsplan dat het college ook moet beoordelen of sprake is van ETFAL. Dat betekent dat niet alleen wordt beoordeeld of onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, maar ook dat een belangenafweging moet worden gemaakt waarbij wordt beoordeeld of het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in overeenstemming is met ETFAL. ETFAL is in het Bkl niet nader omschreven. Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om in te vullen wat een evenwichtige toedeling is. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wro en de Wabo. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of sprake is van ETFAL. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. De vzr. stelt voorop dat bij die afweging uitsluitend die belangen kunnen worden betrokken die worden geraakt door de onderdelen van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van de beheersverordening. Van de bouwmogelijkheden die in de beheersverordening zijn opgenomen zijn de ruimtelijke gevolgen door de gemeenteraad afgewogen bij de vaststelling van de beheersverordening. Dat er op het perceel, tegenover en op relatief korte afstand van de woningen van verzoekers, een bedrijfsgebouw mag worden opgericht met een bouwhoogte van 10 meter, staat de beheersverordening rechtstreeks toe. Dat bedrijfsgebouw mag op grond van de beheersverordening ook bedrijfsmatig worden gebruikt, en dat betekent dat verzoekers op grond van de mogelijkheden van de beheersverordening ook geconfronteerd kunnen worden met de daarbij komende hinder (bijvoorbeeld licht- en geluidhinder, verkeersbewegingen en verminderd uitzicht). Aan de vzr. ligt ter beoordeling voor of de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte met 5 meter voor verzoekers tot onevenredige nadelige gevolgen leidt, zodanig dat het college doorslaggevend gewicht aan hun belangen moet toekennen. Het gaat dan naar het oordeel van de vzr. vooral om de verdergaande belemmering van uitzicht en de reflectiewerking van geluid die uitgaat van de hogere bouwhoogte ten opzichte van de toegestane bouwhoogte van 10 meter.

Een ander voorbeeld is de uitspraak Rb. Overijssel 27 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:232. Op het perceel waar het bouwwerk met zadeldak gebouwd is, geldt het omgevingsplan van de gemeente Zwolle (hierna: het omgevingsplan). Op grond van het bestemmingsplan ‘Westenholte’, dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, is het bouwwerk gelegen binnen de enkelbestemming ‘Tuin’. Ook is aan het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ toegekend. Tot slot is de grond aangeduid als ‘geluidzone – industrie’. Uit art. 18.2.1. van de planregels volgt dat op deze gronden geen gebouwen mogen worden gebouwd. Uit art. 18.4.1 van de planregels volgt dat van deze regel kan worden afgeweken om toe te staan dat een bijbehorend bouwwerk behorende bij een hoofdgebouw, dat gelegen is op een aangrenzende bestemming, geheel of gedeeltelijk binnen de bestemming 'Tuin' wordt gebouwd, mits de geluidsbelasting van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde. Op grond van art. 18.4.2. van de planregels kan de afwijking slechts worden toegestaan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de criteria die zijn opgenomen in dat artikel, bestaande uit: a. het stedenbouwkundig beeld; b. de woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de parkeergelegenheid; e. de sociale veiligheid; f. de milieusituatie; g. de groenstructuur; en h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Het college heeft van deze afwijkingsbevoegdheid (art. 8.0a, lid 1 Bkl en art. 22.281 van het omgevingsplan) gebruik gemaakt en in het bouwplanadvies beoordeeld of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de hiervoor genoemde criteria. Het college heeft per onderdeel beoordeeld of medewerking kan worden verleend aan de ontwikkeling en geconcludeerd dat sprake is van ETFAL als de vergunning onder voorwaarden wordt gegeven én een tuininrichtingsplan wordt uitgewerkt en ingediend. Aldus heeft het college, anders dan [eiser] betoogt, naar het oordeel van de rechtbank wel beoordeeld of sprake is van ETFAL. Voor zover [eiser] betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt voldaan, volgt de rechtbank dat betoog niet. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen (ABRvS 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, r.o. 14 e.v.). De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met ETFAL. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. De rechtbank stelt vast dat [eiser] alleen heeft gesteld dat het college heeft verzuimd om bij de verlening van de omgevingsvergunning te beoordelen of sprake is van ETFAL en geen concrete bezwaren heeft aangedragen ten aanzien van de criteria die het college heeft beoordeeld of ten aanzien van de beoordeling van die criteria. Daarmee heeft [eiser] onvoldoende gesteld waarom het besluit van het college onvoldoende zou zijn gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Een voorbeeld van een geval waarbij een omgevingsplanactiviteit binnenplans afwijken onvoldoende aan het ETFAL-criterium is getoetst is de uitspraak Rb. Amsterdam 3 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6393. Vergunninghouder heeft omgevingsvergunningen aangevraagd voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder een OPA wordt onder meer verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. Dit wordt de binnenplanse OPA genoemd. Volgens het bestemmingsplan is het verboden om op de bestemming ‘Tuin’ een nieuwe verharding aan te brengen zonder een omgevingsvergunning. In het bestemmingsplan is geregeld onder welke voorwaarden het is toegestaan om op de bestemming ‘Tuin’ een verharding aan te brengen. De warmtepomp op het dakterras overschrijdt de maximaal toegestane bouwhoogte. Op grond van art. 28, onder d van het bestemmingsplan is het mogelijk om tot ten hoogste 5,0 meter van de maximum bouwhoogte af te wijken ten behoeve van bouwwerken voor de opwekking van duurzame energie. Gelet op het bepaalde in art. 22.280 van het omgevingsplan gelden deze bepalingen als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in de bovengenoemde artikelen van het bestemmingsplan. Het was daarom gehouden de omgevingsvergunningen voor de binnenplanse OPA te verlenen. De rechtbank kan het college hierin niet volgen. De rechtbank verwijst naar art. 22.281 van het omgevingsplan. Dat artikel kent in de zogenoemde transitiefase aan het college beleidsvrijheid toe. Met de invoering van dit artikel heeft de wetgever willen ondervangen dat vanwege art. 8.0a, lid 1 Bkl per 1 januari 2024 geen mogelijkheid meer bestaat om de omgevingsvergunning voor een activiteit die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels uit het tijdelijk deel van een omgevingsplan, op andere gronden te kunnen weigeren. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Invoeringsbesluit Ow (Stb. 2020, nr. 400, p. 936) volgt dat de wetgever met de invoering van deze overgangsrechtelijke regeling een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel heeft willen borgen. Waar onder het oude recht als eis gold dat zich geen strijd met een goede ruimtelijke ordening mag voordoen, geldt per 1 januari 2024 als eis dat sprake moet zijn van ETFAL (ECLI:NL:RVS:2024:4624). Het voorgaande betekent dat het college een belangenafweging had moeten maken. Het gaat hier om de belangen gediend bij de verlening van de vergunning aan de ene kant en de belangen van eisers bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de andere kant. Nu het college dat niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en evenmin deugdelijk gemotiveerd.

● Omgevingsplanactiviteit aanleggen (binnenplans)

In de uitspraak Rb. Gelderland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:720 oordeelt de rechtbank dat bij een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor de activiteit aanleggen niet aan ETFAL mag worden getoetst. Het hiervoor vermelde art. 22.281 van de bruidsschat is op deze omgevingsplanactiviteit niet van toepassing.

De rechtbank overweegt dat art. 22.280 en art. 22.281 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) niet tot gevolg hebben dat in dit geval beoordeeld moest worden of sprake is van ETFAL. Zoals uit de toelichting van art. 22.281 van de bruidsschat volgt, heeft art. 22.281 van de bruidsschat alleen betrekking op afwijkingsmogelijkheden die onder de juridische werking van de vergunningplicht van art. 2.1, lid 1, onder c van de Wabo vielen. De aanlegvergunning viel onder oud recht onder art. 2.1, lid 1, onder b Wabo. Onder het oude recht gold de eis dat zich geen strijd met een goede ruimtelijke ordening mag voordoen niet voor art. 2.1, lid 1, onder b Wabo. Nu de wetgever met de invoering van de overgangsrechtelijke regeling van artt. 22.280 en 22.281 van de bruidsschat een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel heeft willen borgen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het criterium van ETFAL op dit moment onderdeel uitmaakt van het beoordelingskader van het verlenen van deze omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.

● Omgevingsplanactiviteit kappen/bomen o.g.v. gemeentelijke verordening (art. 22.8 Ow)

Uit art. 22.8 Ow volgt dat als een vergunning of ontheffing nodig is op basis van een gemeentelijke verordening (bijvoorbeeld de APV of een bomenverordening) deze vergunning of ontheffing wordt gezien als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in art. 5.1, lid 1, onder a Ow.

In de uitspraak Rb. Noord-Nederland 12 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5082 is echter uitgesproken dat enkel een limitatief-imperatief toetsingskader geldt uit de bijbehorende beoordelingsregel uit de verordening en dus niet aan het ETFAL-criterium wordt getoetst. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de vergunning voor de kap van vier bomen bij een spoorwegemplacement. Op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Ow in samenhang met artikel 22.8 Ow en artikel 4:9 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APVG) is een omgevingsvergunning nodig voor het vellen van houtopstanden (één of meer bomen). Het toetsingskader voor een vergunning voor het vellen van houtopstanden is opgenomen in artikel 4:11 van de APVG. Op grond van dit artikel verleent het college in beginsel geen vergunningen anders dan na een zorgvuldige belangenafweging op basis van minimaal een van de criteria waardering, overlast, kwaliteit en dringende redenen. Deze criteria zijn uitgewerkt in de Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022 (Beleidsregels). Verzoekers voeren aan dat zij veel geluidsoverlast ervaren van het spoorwegemplacement en dat zij meer overlast verwachten als de toevoer naar het emplacement via [straat] gaat plaats vinden. Verzoekers overwegen een verzoek om handhaving met betrekking tot de geluidsoverlast in te dienen. Als blijkt dat er geluidsreducerende maatregelen moeten worden getroffen, bijvoorbeeld in de vorm van een geluidswal, kan de weg niet op deze locatie gerealiseerd worden en hoeven de bomen ook niet te worden verwijderd. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de omgevingsvergunning mogen verlenen omdat er sprake is van een dringende reden als bedoeld in de Beleidsregels.  Op de zitting is besproken dat geluidsoverlast geen af te wegen belang is bij het beoordelen van een aanvraag voor het vellen van bomen. Omdat verzoekers verder geen gronden of belangen aangevoerd hebben die zien op het toetsingskader voor het vellen van bomen, kan het besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, in stand kan blijven zodat er geen grond is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2025:13854) wordt uit de doeken gedaan of bij een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen op grond van een gemeentelijke verordening aan de orde zou kunnen komen of nog een Flora- en fauna-activiteit (art. 5.1, lid 2, onder g Ow) noodzakelijk kan zijn. Hierbij gaat de rechtbank in op het verschil met de BOPA, waar het ETFAL-criterium wél geldt. Het gaat hier om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het vellen van een boom (op grond van art. 22.8 Ow jo. art. 5.1 lid 1 onder a Ow). De aanvrager bepaalt onder de Ow zelf voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Hier heeft vergunninghoudster alleen voor de omgevingsplanactiviteit een vergunning gevraagd en gekregen. Verzoekers menen dat voor het kappen en verplaatsen van de bomen óók een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Voor de rechtbank ligt in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (de kapvergunning) ter beoordeling voor. Wat verzoekers aanvoeren valt buiten de reikwijdte van die vergunning. De rechtbank kan zich niet uitlaten over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de flora- en fauna-activiteit, noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Als de conclusie zou zijn dat voor het kappen en verplaatsen van de bomen vanwege de desbetreffende verbodsbepalingen uit het Bal ook nog een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd en verleend, dan raakt dit niet de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning. Dat zou anders kunnen zijn als het gaat om een BOPA, omdat bij de beoordeling van ETFAL wél moet worden gemotiveerd waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. Maar voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de voorliggende kapvergunning is echt alleen het stelsel van weigeringsgronden uit art. 4:11b van de APV relevant (en daar geldt het ETFAL-criterium dus niet voor).

● BOPA

Bij de BOPA (op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Ow) moet uiteraard wél getoetst worden aan ETFAL en is dit ook wettelijk vastgelegd. Art. 5.18, lid 1 Ow legt vast dat bij AMvB regels worden gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in art. 5.1 Ow. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren. Art. 5.21, lid 2, onder b Ow legt vast dat de regels er in ieder geval toe strekken dat de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op ETFAL. In het Bkl worden nadere regels gesteld over het toetsingskader van de BOPA. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BOPA, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog ETFAL (art. 8.0a, lid 2 Bkl).

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.