Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Wanneer moet een omgevingsvergunning uitgesteld in werking treden (na 4 weken)? Een tussenstand

De rechtbank Den Haag heeft vandaag, op 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1875 weer eens een uitspraak gedaan over de nieuwe systematiek van inwerkingtreding van omgevingsvergunningen onder de Omgevingswet (artikel 16.79). Tijd voor een overzicht van de rechtspraak hieromtrent tot nu toe.

13 February 2026

ARTIKEL 16.79 OMGEVINGSWET: HOE IS HET WETTELIJK GEREGELD?

Art. 16.79, lid 1 Ow bepaalt dat een omgevingsvergunning in werking treedt met ingang van de dag na de dag waarop: het besluit is bekendgemaakt, of als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb: het besluit overeenkomstig artikel 3:44, lid 1, onder a Awb ter inzage is gelegd.

In artikel 16.79, lid 2 Ow is een belangrijke uitzondering opgenomen: in afwijking van lid 1 bepaalt het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel:

  • a. het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en

  • b. de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen.

Art. 16.79, lid 4 Ow legt vast dat als binnen de termijn, bedoeld in lid 2, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de omgevingsvergunning niet in werking treedt voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang worden getroffen, kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen.

Als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het bevoegd gezag vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het tweede lid bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en het vierde lid niet van toepassing is (art. 16.79, lid 5 Ow).

Artikel 16.79 Ow is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of tot intrekking van een omgevingsvergunning (art. 16.79, lid 6 Ow).

Met andere woorden, de hoofdregel is dus dat een omgevingsvergunning in werking treedt met ingang van de dag na de dag van bekendmaking of terinzagelegging (conform de Awb). Op grond van artikel 16.79, lid 2 Ow bepaalt het bevoegd gezag in afwijking van die hoofdregel in de omgevingsvergunning dat het besluit in werking treedt met ingang van de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging (zie: Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 279). Het bevoegd gezag heeft enige beoordelingsruimte om per geval af te wegen of er sprake moet zijn van de uitgestelde inwerkingtreding. Bij een beschermd monument bijvoorbeeld zal al gauw een wijziging van de bestaande situatie aan de orde zijn die niet (geheel) te herstellen is, omdat veelal historisch materiaal verdwijnt en daarmee de authenticiteit van het monument wordt aangetast. Een verstoring van een archeologisch monument is per definitie onomkeerbaar, omdat de context van de archeologische resten daarbij verloren gaat. Hetzelfde geldt voor het slopen van een bouwwerk dat medebepalend is voor de karakteristiek van een beschermd stads- of dorpsgezicht. De beoordelingsregels strekken bij cultureel erfgoed tot het behoud van bestaande waarden en daarmee tot bescherming daarvan. Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op meerdere activiteiten, dan geldt dat de gehele omgevingsvergunning pas na vier weken in werking treedt als vanwege één van die activiteiten toepassing wordt gegeven aan artikel 16.79, lid 2 Ow.

Als binnen de vier wekentermijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dan treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang worden getroffen (bijvoorbeeld de vergunninghouder), kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen (artikel 16.79, lid 4 Ow). Als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het bevoegd gezag vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het tweede lid bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en het vierde lid niet van toepassing is (artikel 16.79, lid 5 Ow). De mogelijkheid blijft dus bestaan dat als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het bevoegd gezag vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, het kan bepalen dat het besluit eerder dan binnen vier weken in werking treedt en dat de regeling over de opschortende werking van een verzoek om voorlopige voorziening niet van toepassing is (Kamerstukken II, 2017-2018, nr. 34 986, nr. 3, p. 278-280).

HOE WORDT ARTIKEL 16.79 OMGEVINGSWET IN DE JURISPRUDENTIE TOEGEPAST?

WANNEER MOEST WEL TOEPASSING WORDEN GEGEVEN AAN DE '4-WEKEN-REGELING'?

Graven in gronden met archeologische waarden

De rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2024:6390) heeft op 5 december 2024 een uitspraak gedaan over de toepassing van de inwerkingtredingsregeling van 4 weken uit artikel 16.79, lid 2 Ow in het kader van een omgevingsplanactiviteit inzake het graven in gronden met archeologische waarden. De gronden waar de graafwerkzaamheden plaatsvinden, hebben de bestemming ‘Waarde - Archeologie 4a’ en zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Binnen deze bestemming is ontgronden en afgraven zonder omgevingsvergunning verboden (artikel 8.4.1, aanhef en onder a, van de planregels). Dit geldt als een omgevingsplanactiviteit (‘opa’) in de zin van de Ow, zodat ontgronden en graven omgevingsvergunningplichtig is (artikel 5.1, lid 1, onder a Ow). In het licht hiervan vindt de voorzieningenrechter dat sprake is van een spoedeisende situatie die gelet op de belangen van verzoekers vergt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen die inhoudt dat er niet mag worden gegraven in afwachting van de beslissing op het handhavingsverzoek van verzoekers. Bepalend daarvoor is de onomkeerbaarheid van het verstoren van de bodem in relatie tot de onzekerheid over eventuele vergunningverlening. Het belang van de archeologische waarden moet dan voorgaan. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze voorlopige voorziening geldt tot twee weken na de beslissing op het handhavingsverzoek van verzoekers of tot het moment dat het college een omgevingsvergunning voor graven verleent. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat een dergelijke omgevingsvergunning dan een activiteit mogelijk maakt die kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, in welk geval moet worden bepaald dat de vergunning pas na vier weken in werking treedt. Dat volgt uit artikel 16.79, lid 2, onder b Ow.

Vergelijkbaar was de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 november 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7725 waarin is geoordeeld dat toepassing had moeten worden gegeven aan de regeling van de uitgestelde inwerkingtreding van omgevingsvergunningen bij onomkeerbare situaties (artikel 16.79, lid 2 Ow). De voorzieningenrechter stelt vast dat een verstoring van archeologisch waarden per definitie onomkeerbaar is omdat de context van de archeologische resten daarbij verloren gaat. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de op dit perceel van toepassing zijnde bepalingen in het Omgevingsplan dienen ter bescherming van de archeologische waarden ter plaatse. Het had dan ook op de weg gelegen van het college om gebruik te maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 16.79, lid 2 Ow (zie pagina 279 van de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2017/18, 34986, nr. 3). Door dit niet te doen en door de handelswijze van vergunninghouder die direct na ontvangst van de vergunning van start is gegaan met de werkzaamheden, is in dit geval de indiening het verzoek om een voorlopige voorziening illusoir geworden. Los van het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het handelen van vergunninghouder laakbaar door na de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening onverminderd door te gaan met de werkzaamheden zonder de uitkomst van deze procedure af te wachten.

Sloopactiviteiten

De rechtbank Midden-Nederland (Rb. Midden-Nederland 5 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4760) heeft in een uitspraak inzake sloopactiviteiten ter plaatse van een beschermd stads- en dorpsgezicht overwogen dat in een omgevingsvergunning die een dergelijke activiteit mogelijk maakt (die kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld) bepaald moet worden dat de vergunning pas na 4 weken in werking treedt (artikel 16.79, lid 2 Ow).

De rechtbank Den Haag heeft op 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1875 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het slopen van een woning. Op grond van artikel 5.1, lid 1, onder a Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Ter plaatse van het betrokken perceel geldt, voor zover relevant, het bestemmingsplan “Cultuurhistorie”. Op het perceel is de bestemming “Waarde – Cultuurhistorie – Ensembles” van kracht. In artikel 4.5.1, onder a, van de planregels is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, geheel of gedeeltelijk te slopen. Verzoeker voert aan dat het op de weg van het college had gelegen om toepassing te geven aan artikel 16.79, lid 2 Ow, nu deze bepaling juist is bedoeld voor situaties als deze, waarbij er regels gelden ter bescherming en behoud van het te slopen object. Aangezien het slopen van een woning leidt tot een toestand die niet kan worden hersteld, had het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden besluit toepassing moeten geven aan artikel 16.79, lid 2, onder a Ow. Het college heeft dat in het verweerschrift ook erkend. Het college dient in de beslissing op het bezwaar van verzoeker ook dit gebrek te herstellen.

In de uitspraak Rb. Rotterdam van 9 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2025:15306 is een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit slopen in een beschermd stadsgezicht. Het standpunt van het college is dat de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, lid 2 Ow niet van toepassing is bij deze omgevingsvergunning, omdat het te slopen gebouw als zodanig geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft en de sloop geen gevolgen heeft voor het beschermd stadsgezicht. Het is in eerste instantie aan het college om te bepalen of de uitgestelde inwerkingtreding van toepassing is. Volgens de tekst van de wet heeft het college daarbij beoordelingsruimte. Niet in geschil is dat de sloop van het gebouw zal leiden tot een wijziging van de bestaande toestand die niet kan worden hersteld. Een inhoudelijk oordeel over de vraag of een omgevingsvergunning in het licht van het in het omgevingsplan opgenomen beschermingsregime al dan niet kan worden verleend, kan niet worden gekoppeld aan de vraag of de uitgestelde inwerkingtreding van toepassing is. Voor beantwoording van die laatste vraag is slechts van belang of de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. De voorzieningenrechter vindt dan ook dat het college, ondanks de hem toekomende beoordelingsruimte, in dit geval had behoren te bepalen dat de inwerkingtreding van de verleende omgevingsvergunning met vier weken is uitgesteld.

Kappen van bomen

De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2128 ging over de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van 10 bomen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning en zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Omdat zij tijdig binnen 4 weken een verzoek om een voorlopige voorziening hebben ingediend, is de vergunning geschorst en mag, zolang geen uitspraak is gedaan, de vergunninghouder geen gebruik maken van zijn vergunning om de 10 bomen te kappen. Omdat het gebruik maken van een kapvergunning onherroepelijk is en op dit moment niet duidelijk is of het college het gebrekkige advies van de groenadviseur zal kunnen herstellen, laat de voorzieningenrechter de belangen van verzoekster zwaarder wegen. Verzoekster heeft er namelijk belang bij dat er in afwachting van de bezwaarprocedure geen onomkeerbare kapwerkzaamheden plaatsvinden. Dat betekent dat de vergunninghouder nu niet mag kappen. De voorzieningenrechter bepaalt dat de voorlopige voorziening twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar vervalt.

Zie ook de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 februari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:599 waarin het bevoegd gezag toepassing heeft gegeven aan artikel 16.79, lid 2 Omgevingswet bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het kappen van bomen.

Op 21 oktober 2025 heeft de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2025:10314) een uitspraak gedaan over de toepassing van de nieuwe regeling voor inwerkingtreding van omgevingsvergunningen onder de Omgevingswet (art. 16.79) van 4 weken in relatie tot een verzoek om voorlopige voorziening. De omgevingsvergunning is op het moment van de uitspraak nog niet in werking getreden. Het bestreden besluit is genomen op 29 augustus 2025. Artikel 16.79, lid 2 Omgevingswet bepaalt dat als een omgevingsvergunning de activiteit het vellen van houtopstanden bevat, deze pas in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking. Indien voor die tijd een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is gedaan, treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Het voorgaande brengt mee dat als de voorziening niet wordt getroffen, de omgevingsvergunning in werking treedt met het doen van de uitspraak. Daarna kan gelijk uitvoering gegeven worden aan de omgevingsvergunning. Het Waterschap heeft aangegeven direct over te gaan tot het vellen van houtopstanden zodra dit mogelijk is, omdat dit anders in verband met de aanwezigheid van beschermde fauna ter plaatse niet meer is toegestaan. Het Waterschap heeft ter zitting aangegeven hiervoor nog tot 17 oktober 2025 de tijd te hebben. Zijn de houtopstanden dan nog niet geveld, dan zal moeten worden gewacht tot halverwege augustus 2026. Het volledige project waarvoor de houtopstanden geveld dienen te worden, zal dan ongeoorloofde vertraging oplopen. Daar tegenover staat dat het eventuele vellen van de houtopstanden, eenmaal uitgevoerd, onomkeerbaar is. Gelet hierop hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij een beslissing van de voorzieningenrechter op het verzoek. Omdat het verzoek wordt afgewezen, kan met ingang van heden van de omgevingsvergunning gebruik worden gemaakt. De omgevingsvergunning treedt met het doen van deze uitspraak in werking.

In de uitspraak van de Rb. Midden-Nederland van 4 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:529 heeft het college besloten de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen voor de kap van 17 bomen en daaraan voorschriften verbonden. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. In het bestreden besluit is bepaald dat het besluit in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking (artikel 16.79, lid 2 Ow). Zodra de omgevingsvergunning in werking treedt, mogen de bomen gekapt worden. Vergunninghouder heeft aangegeven zo snel mogelijk de bomen te willen kappen. Verzoekers willen dit voorkomen. In het bestreden besluit heeft het college de aanvraag aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, lid 1, onder a Ow gelezen in samenhang met artikel 22.8 Ow. De aanvraag is getoetst aan artikel 5.18 Ow, artikel 22.299 van het Omgevingsplan De Bilt en artikel 4:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening De Bilt 2024 (APV). Tussen partijen is niet in geschil dat de bomen op basis hiervan niet zonder een omgevingsvergunning mogen worden gekapt. De omgevingsvergunning kan alleen worden geweigerd in verband met een aantal genoemde waarden van de boom. Wat die waarden precies inhouden is uitgelegd in het Kapbeleid gemeente De Bilt 2021 (kapbeleid) van het college. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Omdat de voorzieningenrechter met deze uitspraak op de verzoeken heeft beslist, treedt de omgevingsvergunning in werking (artikel 16.79, lid 4 Ow). Aangezien de verzoeken worden afgewezen, wordt de omgevingsvergunning niet geschorst en mogen de bomen gekapt worden.

Vergelijkbaar is ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:2777). Het college heeft met het besluit van 20 februari 2025 een omgevingsvergunning verleend voor het kappen en rooien van de bomen. In de bestreden besluiten is niet opgenomen dat de besluiten uitgesteld in werking zullen treden als bedoeld in het tweede lid van artikel 16.79 Ow. Hoewel uit de stukken blijkt dat het college in de aanbiedingsbrieven van de vergunningen vergunninghouder heeft gewezen op de uitgestelde inwerkingtreding, begrijpt de voorzieningenrechter uit het e-mailbericht van het college dat de kap van de bomen vóór het verstrijken van deze termijnen, zal gaan plaatsvinden, in weerwil van de kennelijk beoogde uitgestelde inwerkingtreding. Nu echter de uitgestelde inwerkingtreding niet is opgenomen in de verleende vergunningen gaat de voorzieningenrechter ervanuit dat de vergunningen in werking zijn getreden overeenkomstig artikel 16.79, lid 1 Ow. Onder deze omstandigheden en gelet op de onomkeerbare gevolgen van de kap van waardevolle bomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de besluiten te schorsen totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op de verzoeken.

Flora- en fauna-activiteiten

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 15 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:524 wordt ingegaan op de nieuwe systematiek van inwerkingtreding van omgevingsvergunningen in artikel 16.79 Ow. Er is een omgevingsvergunning verleend voor verschillende Flora- en fauna-activiteiten in verband met afschot van damherten op basis van artikel 5.1, lid 2, sub g Ow. Het college heeft bepaald dat het besluit pas in werking treedt met ingang van de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging ex artikel 16.79, lid 2 Ow. Omdat verzoekers binnen de termijn van 4 weken, bedoeld in artikel 16.79, lid 2 Ow een verzoek om voorlopige voorziening hebben gedaan, treedt de omgevingsvergunning op grond van artikel 16.79, lid 4 Ow niet in werking voordat op het verzoek is beslist. De inwerkingtreding is, gelet op artikel 16.79 Ow, door het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening geschorst, maar zonder het indienen van het verzoek hadden zich als gevolg van dit besluit onomkeerbare gevolgen kunnen voordoen. De behandeling van het bezwaar vindt waarschijnlijk in maart 2025 plaats en het college heeft geen concrete planning gegeven voor een beslissing op het bezwaar van verzoekers. Daarom hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij hun verzoek om voorlopige voorziening.

WANNEER HOEFDE GEEN TOEPASSING WORDEN GEGEVEN AAN DE '4-WEKEN-REGELING'?

De uitspraak Rb. Limburg 22 juli 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:4615 is een voorbeeld van een geval waarin de rechtbank oordeelde dat geen toepassing hoefde te worden gegeven aan de '4-weken-regeling.' Verzoekster stelt dat een dag na de publicatie van de aanvraag ook de verleende omgevingsvergunning is gepubliceerd. Enkele dagen later wordt al uitvoering gegeven aan de verleende omgevingsvergunning. Ondanks dat daartegen bezwaar is gemaakt, worden de werkzaamheden voortgezet. De eigenaren en andere belanghebbenden zijn niet in de gelegenheid gesteld om een actie tegen de werkzaamheden te ondernemen, terwijl er wel sprake is van verstoring van het rijksmonument. De voorzieningenrechter volgt niet het standpunt van verzoekster dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De verleende omgevingsvergunning is door toezending aan de aanvrager op 29 mei 2024 bekendgemaakt. Op grond van artikel 16.79, lid 1, onder a Ow treedt de omgevingsvergunning in werking met ingang van de dag na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. De vergunning is dus op 30 mei 2024 in werking getreden. Vergunninghouder kan dan ook na de inwerkintreding van de omgevingsvergunning beginnen met de werkzaamheden en dit ook voortzetten, ondanks dat er bezwaar is ingediend. In dit geval heeft bezwaar geen schorsende werking.

De uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2800 ging over een verzoek om een voorlopige voorziening in verband met een omgevingsvergunning voor de vestiging van een sportschool. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende vergunning en hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt. Vergunninghouder heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het vestigen van een sportschool in Hoogeveen. De sportschool wordt gevestigd op de bovenverdieping van een leegstaand pand. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 27 januari 2025, verzonden op 28 januari 2025, verleend. Deze omgevingsvergunning ziet op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en een technische bouwactiviteit. Verzoekers houden beiden een sportschool in Hoogeveen. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. In de tekst van de omgevingsvergunning staat dat de vergunning op grond van artikel 16:79, lid 1 Ow de dag na toezending van het besluit inwerking treedt. Vervolgens staat in de omgevingsvergunning ook dat de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt opgeschort, indien een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend. Echter, nu het besluit de dag na verzending al in werking is getreden, is opschorting van die inwerkingtreding achteraf niet mogelijk. De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning de dag na bekendmaking in werking is getreden en vergunninghouder op dit moment van die omgevingsvergunning gebruik kan maken. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, lid 1 Awb “een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist”. Vaste jurisprudentie is dat bij financiële gevolgen, zoals in deze zaak, dat niet snel het geval is. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Van een acute financiële noodsituatie kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang, dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.