Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Wat wordt bedoeld met “aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten”?

RCE 15 December 2021

Vraag & Antwoord

ANTWOORD

Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de mogelijkheid tot het aantreffen van een archeologisch monument op een locatie goed onderbouwd moet zijn. Voorspellen van de aanwezigheid van een archeologisch monument kan door middel van het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Ook het combineren van bestaande relevante archeologische, bodemkundige of historische informatie kan voldoende zijn. Deze informatie hoeft niet altijd over de specifieke locatie zelf te gaan. Ook kennis over de archeologische waarden en verwachtingen op een locatie die vanuit archeologisch, bodemkundig of historisch oogpunt vergelijkbaar is, kunnen informatie leveren over de kans op het aantreffen van archeologische monumenten. Daarnaast is het belangrijk om informatie over bodemverstoringen op een locatie mee te nemen bij het bepalen van die kans.

De gemeente wordt geacht de verantwoordelijkheid te nemen voor goed onderbouwde archeologische verwachtingen in het omgevingsplan, op basis van locatie-specifieke archeologische, bodemkundige en historische informatie. Volledige zekerheid is echter niet mogelijk. Dit ligt in de aard van de archeologie, die nu eenmaal niet zichtbaar in de bodem zit. Alleen alles opgraven zou volledige zekerheid geven, maar dat is in strijd met het beginsel van behoud in situ. Het blijven dus goed onderbouwde verwachtingen, waar een mate van onzekerheid nu eenmaal bij hoort.

Volgens de Monumentenwet 1988 moesten gemeenten bij het vaststellen van het bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Met de Erfgoedwet (2016) werd vervolgens het begrip ‘archeologisch monument’ geïntroduceerd voor deze monumenten. Een archeologisch monument is in artikel 1.1 van de Erfgoedwet gedefinieerd als “een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen”.

Onder de Omgevingswet gaat de opdracht tot het rekening houden met archeologische monumenten over naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Gemeenten moeten dan op grond van artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, die bij voorkeur in situ behouden moeten worden. Deze verplichting komt voort uit artikel 2.28, onder a, van de Omgevingswet. Dit artikel bepaalt dat het Rijk instructieregels zal stellen over omgevingsplannen en projectbesluiten met het oog op het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het woord “aantoonbaar” is in dit artikel terechtgekomen door het gewijzigde amendement-Ronnes (Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 162).

In de toelichting bij het amendement-Ronnes wordt gesteld dat veel gemeenten in de praktijk een claim op het gebruik van de ruimte leggen door slecht onderbouwde archeologische dubbelbestemmingen in hun bestemmingsplannen op te nemen. Deze raken hierdoor overvol met archeologische dubbelbestemmingen en belasten bedrijven en gemeenten onnodig met archeologisch onderzoek.

Met het opnemen van het woord “aantoonbaar” in art. 2.28, onder a, van de Omgevingswet wordt beoogd dat gemeenten te verwachten archeologische monumenten alleen in hun omgevingsplannen kunnen beschermen als de bescherming is gebaseerd op expliciete en specifiek lokale archeologische en bodemkundige informatie. Het gebruik van nauwkeurig archeologisch kaartmateriaal, inclusief een onderbouwing van de trefkans op archeologische monumenten, zorgt ervoor dat initiatiefnemers en vergunningaanvragers alleen goed onderbouwd een archeologische onderzoeksplicht opgelegd krijgen. Dat vergroot de kans op succesvol archeologisch onderzoek en voorkomt onnodige (archeologische) lasten voor bedrijven en overheden.

De verplichte instructieregel op grond van artikel 2.28, onder a, van de Omgevingswet is verder uitgewerkt in artikel 5.130 van het Bkl. Het eerste lid hiervan bepaalt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het gebruik van het woord “aantoonbaar” wordt aangegeven dat gemeenten te verwachten archeologische monumenten alleen in hun omgevingsplannen kunnen beschermen als dit voldoende is onderbouwd. Dit kan worden aangetoond met behulp van (inventariserend) archeologisch onderzoek. Ook het combineren van bestaande relevante archeologische, bodemkundige of historische informatie kan voldoende zijn om de mogelijke aanwezigheid van een archeologisch monument op een locatie te onderbouwen. Deze informatie hoeft niet altijd over de specifieke locatie zelf te gaan. Ook kennis over de archeologische waarden en verwachtingen op een locatie die vanuit archeologisch, bodemkundig of historisch oogpunt vergelijkbaar is, kan informatie leveren over de kans op het aantreffen van archeologische monumenten. Zo zijn veel archeologische vindplaatsen bekend langs de randen van beekdalen, bijvoorbeeld in het stroomgebied van de Drentsche Aa. Deze wetenschap kan meegenomen worden bij het bepalen van de archeologische verwachting voor vergelijkbare beekdallandschappen op andere locaties. Ten slotte is het belangrijk om informatie over bodemverstoringen op een locatie mee te nemen bij het bepalen van de kans of ter plaatse archeologische monumenten te verwachten zijn.

In het omgevingsplan moet een toereikend beschermingsregime voor archeologie worden opgenomen, onder meer op grond van het verdrag van Valletta. Een gemeente kan daartoe in het omgevingsplan een vergunningstelsel opnemen, net als voorheen in het bestemmingsplan. Ook kan in het omgevingsplan worden voorgeschreven dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport moet worden overlegd. De initiatiefnemer kan dan worden verplicht om voordat deze het project uitvoert, onderzoek te doen naar de aanwezigheid van archeologische monumenten. Alleen als een initiatiefnemer op een terrein met aantoonbaar te verwachten of bekende waarden wil ontwikkelen, heeft deze een onderzoeksplicht. Dit beperkt de kosten voor initiatiefnemers. Door het gebruik van de term “aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten” is nu duidelijker gemaakt dat de verwachtingskaarten die hieraan ten grondslag liggen, voldoende moeten zijn onderbouwd. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten onnodig een claim aanbrengen op het gebruik van de ruimte. Andersom moet ook het aantonen van afwezigheid van archeologie zorgvuldig onderbouwd worden. Immers, waar archeologie wel aanwezig is, moet daarmee op een goede manier worden omgegaan. De gemeenten doen het voorwerk en geven aan waar met archeologie rekening gehouden moet worden. Met dit getrapte systeem wordt onnodig onderzoek vermeden.

Bron: RCE

Deze 2-daagse cursus Erfgoed en Monumenten: wetgeving en beleid biedt inzicht in het nieuwe instrumentarium voor de omgang met cultureel erfgoed en monumenten, zowel beleidsmatig als juridisch als omgevingsplan, evenals de gevolgen voor ambtenaar, initiatiefnemers en adviseurs.

Meer informatie
-->