Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen staat in toenemende mate ter discussie vanwege mogelijke gezondheidsrisico’s. Bij omgevingsplannen en (bouw)vergunningen is volgens inmiddels bestendige jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter de standaard voor spuitzonering tussen agrarische gronden (waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt) en gevoelige functies (zoals woningen) dat een afstand van 50 meter in acht moet worden genomen, en dat voor een kortere afstand locatie-specifiek onderzoek op basis van hiervoor toegespitste berekeningsmethodieken mogelijk is. De afstand moet een voldoende spuitvrije zone om bewoners te beschermen tegen nevel die overwaait tijdens het spuiten (‘drift’) borgen. Recent is dat ook weer bevestigd.

Een recent (civielrechtelijk) arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch heeft inmiddels ook een belangrijke rol gekregen in de rechtsontwikkeling rond dit vraagstuk.
In deze civielrechtelijke kortgedingprocedure ging het om lelieteelt op korte afstand (10-30 meter) van een woonwijk. Tijdens de teeltperiode, van mei tot en met september, wordt intensief gebruik gemaakt van verschillende gewasbeschermingsmiddelen, waarvan uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid. De gebruikte middelen zijn toegelaten op grond van de Europese Verordening (EG) 1107/2009.
De omwonenden stelden dat dit toelatingssysteem hiaten kent, omdat onvoldoende is onderzocht of de middelen schadelijke degeneratieve effecten veroorzaken. Daarmee doelen zij op effecten die zich op langere termijn manifesteren, zoals een geleidelijke achteruitgang van het zenuwstelsel (bijvoorbeeld bij Parkinson).
Zij vorderden in kort geding een verbod op het gebruik van deze middelen, onder meer op basis van het Europeesrechtelijk voorzorgsbeginsel en onrechtmatige daad. De teler voerde aan dat de middelen zijn toegestaan en dat het gebruik daarvan niet onrechtmatig is.
In hoger beroep oordeelt het hof dat het voorzorgsbeginsel niet als zelfstandige grondslag kan dienen in een civiel geschil tussen particulieren.
Het gevorderde verbod wijzen zowel (eerst) de Voorzieningenrechter van de rechtbank en ook het Hof toe. omdat volgens het Hof wel degelijk sprake is van een (dreigende) onrechtmatige daad. Daarbij is van belang dat:
De teler kan daarom niet zonder meer vertrouwen op de toelating van de middelen. Gezien de korte afstand tot woningen en de aanwezigheid van kwetsbare groepen geldt een verhoogde zorgvuldigheidsnorm. Door de middelen toch te gebruiken, handelt de teler in strijd met wat maatschappelijk betamelijk is.
De uitspraken van de (hoogste) bestuursrechter én dit civielrechtelijke arrest laten zien dat onder meer woningbouw nabij agrarische gronden met (mogelijk) teelten niet vanzelfsprekend samengaan, en dat omgekeerd het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen voor een agrariër niet vanzelfsprekend is in de nabijheid van woningen, óók niet als het gebruik planologisch of op basis van een verkregen omgevingsvergunning is toegestaan.
Heeft u als ontwikkelaar of omwonende te maken met een vergelijkbare situatie en wilt u weten waar u juridisch staat? Neem dan gerust contact met ons op. Wij denken graag met u mee.
